Een lange adem

Eerder schreef ik over de film Satanstango van de Hongaarse regisseur Béla Tarr. Nog dagen liep ik ermee rond, met de beelden van zompig, verregend en verwaarloosd boerenland, gure windvlagen en groezelig boerenvolk dat meer zuipt dan praat. Van het verhaal kreeg ik niet alles mee, ik zag vooral die beelden van, zoals ik het toen noemde, tergend trage, tastbare tijd. Alsof het de regisseur daarom te doen was en hij de aanknopingspunten om er een sluitend verhaal van te maken tot een minimum had beperkt.

Dat gebrek aan houvast vind ik fijn, dan kan ik er mijn eigen gedachten op loslaten zonder dat een meegeleverde exegese me dat belet. (Om die reden lees ik ook liever geen besprekingen – vooraf noch achteraf. Eerst maar eens zelf nadenken.) Het maakte me ook nieuwsgierig naar het ‘bijbehorende’ boek, Satanstango van Nobelprijswinnaar László Krasnahorkai, tevens scenarioschrijver van de film. 

Toen ik het boek vervolgens las, nam ik er de filmbeelden onwillekeurig mee naartoe.

Het boek lezen betekende meteen verheldering van een aantal raadselachtige scènes uit de film. Ja, om de film te begrijpen, moet je het boek lezen – maar wel in die volgorde: eerst film, dan boek. Want dan neem je het mysterie van de film mee naar het boek. Als je het verhaal al kent voordat je aan de film begint, zal dat van invloed zijn op de hoeveelheid mysterie.

Opvallend vond ik dat ik de ‘tastbare tijd’ die mij in de film zo trof, in het boek niet heb ervaren. Dat moet dan haast wel met de cinematografie te maken hebben, wellicht in combinatie met de lengte van de film. Zeven uur is een hele zit.

Ook voor het lezen van het boek is een lange adem nodig, weliswaar van een andere categorie. Krasnahorkai’s lange zinnen vergen concentratie; het ontbreken van alinea’s maakt dat de lezer bijna adem tekortkomt: pagina na pagina een van boven tot onder, van links tot rechts gevulde bladspiegel, nergens een witregel te bekennen. Bij elke nieuwe bladzijde zoekt mijn oog een pauzeplek en vindt die niet; ik lees met een latje om mijn regel niet kwijt te raken.

Toch is het niet Krasnahorkai’s schrijfstijl die ervoor zorgt dat ik in de geschreven versie van Satanstango geen ‘tastbare tijd’ tegenkom. Het ligt aan zijn anonieme verteller, die (noodzakelijkerwijs) voortdurend aan het woord is. Anders dan in de film, waar de cinematografie vrijwel alle vertellerstaken op zich neemt en een voice-over de rest doet, ben ik in het boek geen moment alleen met het landschap, de weersomstandigheden, de duistere atmosfeer. Laat staan met de personages: altijd is de verteller erbij.

Van hem kom ik van alles te weten wat ik niet uit de film(beelden) heb weten te halen. Maar zelfs met al dieinformatie blijft er voor de lezer nog genoeg te raden over.

Dat vind ik mooi, dat ook het boek niet alles ontraadselt. Althans niet tijdens mijn eerste lezing, al dan niet met een latje. Bij een volgende lezing zal ik mij concentreren op de aanhalingen in de vertellerstekst, want ik moet nog ontdekken waar de verteller die vandaan haalt. Wie weet kom ik dan ook meer te weten over de bureaucratische machten die middels de meerduidige figuur van Irimiás met een handjevol uitgebluste zielen kunnen doen wat ze goeddunkt.

◊◊◊

Lázló Krasnahorkai, Satanstango. 1985. Vert. M. Alföldi, 2012.

Béla Tarr, Sátántángo. 1994.

Prent: Menashe Kadishman, Het offer van Isaäk, 1986. Foto © Gertrudsdottir, 2026.

Dit reusachtige stalen beeld stond ooit op een groenstrook in het centrum van de stad, om de hoek bij het museum. Ineens was het weg, het moet al die tijd hier hebben gestaan, op een andere groenstrook tussen andere rijbanen, ver van de mensen vandaan, aan weerszijden omspoeld door voortrazend forenzenverkeer.