Verdwijnpunt

« Ik probeerde te verdwijnen, ik wilde verdwijnen, ik wilde dat de bergen me zouden inslikken. »

De ‘ik’ in dit citaat ben ik niet zelf. Het is Miek Zwamborn die het over zichzelf zegt, in haar boek De duimsprong. Haar uitspraak is deel van een aangrijpende passage waarin ze het gevoel van leegte benoemt dat ze op een solitaire bergwandeling in Zwitserland ervaart nu de man met wie ze vele gezamenlijke bergtochten maakte, spoorloos verdwenen is.

« Lopen hielp tegen de haast onverdraaglijke leegte. Het maakte me niet uit waar ik liep. Rakelings schoot het landschap voorbij. Ik was de som van alle plekken waar ik ooit kwam. Ik was de plek zelf, onherbergzaam en vliedend, iets in de verte. Ik ademde grond. Ik schoof voortdurend op. Ik werd een wandelaar en wandeling en landschap ineen, een vluchtige schaduw. Ik probeerde te verdwijnen, ik wilde verdwijnen, ik wilde dat de bergen me zouden inslikken. »

Kort na de vermissing van haar vriend schrijft Zwamborn:

« Hoe zoek je iemand van wie je niet weet welke kant hij is opgegaan? Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen. »

Dat is exact wat ik, zus van een tijdens een bergwandeling in Zwitserland verdwenen broer, geloofde, en wat zijn andere zus en ik ook hebben gedaan. Deze zomer is het 33 jaar geleden dat ‘onze’ vermiste vertrok om in het Furkagebied die wandeling te gaan maken. Waarheen precies weten we niet; de neiging om van onze vermoedens feiten te maken weten we nog steeds te onderdrukken.

Het helpt om Zwamborn te laten vertellen hoe ze met de vermissing van haar vriend omgaat. Om te lezen over de solitaire bergtochten die ze maakt, over haar concentratie op het landschap, de stenen, de kou, de stilte. Ze speelt het klaar om haar niet-weten, haar radeloosheid en haar verdriet mee te delen op een onsentimentele manier die het mysterie van de verdwijning volledig intact laat. Ze was daar blijkbaar relatief kort na de vermissing al toe in staat, ik vind dat ongelooflijk knap.

In tegenstelling tot Zwamborn ben ik als bergwandelaar slechts een enkel keertje van het gebaande pad gegaan. De risico’s die zij – en beide vermiste mannen – op een solitaire bergwandeling namen, de ontberingen en het afzien, ik ken ze niet uit eigen ervaring. 

Daardoor komt het waarschijnlijk dat de hierboven geciteerde passage over de leegte niet verwoordt wat ik zelf voel als ik 
daar ben en me voorstel dat ik op een van de plekken sta waar de vermiste verdwenen kan zijn. Voor mij benoemen Zwamborns woorden eerder het gevoel dat hij op weg naar zijn verdwijnpunt kan hebben gehad.

Dat de mogelijkheid bestaat dat de vermiste zich toen ‘wandelaar en wandeling en landschap ineen’ heeft gevoeld en zo als een vluchtige schaduw is opgegaan in de bergen, voor mij is dat een troostrijk beeld.

◊◊◊

Miek Zwamborn, De duimsprong. 2013.

Lang voordat Zwamborn haar boek publiceerde, herdachten we onze eigen vermiste met een wandeltocht door de laatste sneeuw naar de berghut die vernoemd is naar de man wiens biografie óók in De duimsprong is opgenomen: de Zwitserse geoloog Albert Heim.

Prent: Moussey, 2017. Foto © Gertrudsdottir.