Kléddérnát

Buiten is het heet, in de relatief koele hal richt ik mijn huisbioscoop in: scherm, stoel, ventilator. Glaasje water erbij. Ik start de film en verdwijn voor de duur van 438 minuten in de zwartwitwereld van Béla Tarr. Sátántángonaar het gelijknamige boek van László Krasnahorkai.

Het Hongaars, ontdek ik terwijl de titelrol het donkere scherm vult met grote witte kapitalen, zet de voornaam achter de achternaam en strooit kwistig met aigu’s. In de woorden ontdek ik geen aanknopingspunten, taal wordt geluid, spraak vervreemding.

Dat is niet erg. Zeven uur lang kijk ik mee met Tarrs statische maar geenszins passieve camera. Ik zie desolate, door de regen gegeselde, lege landschappen, plenzende regen, zompige modder, zeiknatte koeien en honden. Doorweekte mutsen, jassen, laarzen. Druipende snorren. Schimmelige woninkjes, afgeleefde interieurs. Zuipende dorpelingen die elkaar argwanend in de gaten houden. Dikke geldbundels die van eigenaar wisselen. Een valse profeet. Een meisje en haar kat.

Ik hoor de regen klateren en striemen, de wind suizen en loeien, geploeter van voeten en poten en wielen door de zomp, gerinkel van glazen en flessen, een trekzak die hetzelfde deuntje nog maar eens herhaalt, dronken geschuifel in de kroeg. De niet meer bestaande klok waarmee de film opent en sluit.

Maar wat ik vooral zie, en hoor, en voel, is de tijd. Tergend trage, tomeloze, tastbaar geworden tijd. Als de zeven uur om zijn en ik m’n benen maar eens ga strekken blijft die gewaarwording nog een poosje hangen, zodat ik mijn eigen omgeving even zie als keek ik door de lens van Tarr.
Fascinerend.

Susan Sontag zegt op de titelrol dat ze de film elk jaar wil gaan zien, zelf denk ik dat ik voordat het jaar om is het boek van Krasnahorkai ga lezen, voor nog zo’n dosis tomeloze tijd. Ik vermoed dat ik er Tarrs cinematografie bij zal zien. 

◊◊◊

Béla Tarr. Sátántángo. 1994.

Prent: Zeeuws-Vlaanderen, 2025. Foto © Gertrudsdottir.