
Het overkomt me telkens weer: in een boek dat ik opensla wordt naar een ander boek verwezen, en meteen ben ik meer geïnteresseerd in de verwijzing dan in het boek dat ik lees. Zo ook bij een bundeling van essays over kapitalisme, Big Tech en macht van filosoof Slavoj Žižek, dat ik in de bibliotheek oppak vanwege de intrigerende titel Als een dief op klaarlichte dag, en waar de inhoudsopgave me direct nieuwsgierig maakt naar het derde essay, zodat ik de eerste twee oversla. Het derde heet ‘Wat Agatha wist’, en als blijkt dat die Agatha inderdaad is wie ik denk, blader ik meteen door naar de passages die over haar gaan.
Žižek bespreekt een Agatha Christie waarin geen Hercule Poirot of Miss Marple voorkomt: Passagier voor Frankfurt (1970) is een spionageroman over een wereldwijd complot van (neo)nazi’s, waarin de dan bijna tachtigjarige Agatha Christie haar huiver en verwarring over waar het heen gaat in de wereldpolitiek ruim baan geeft.
De oude dame kreeg destijds kritiek over zich heen omdat er dingen niet schijnen te kloppen in haar boek, maar Žižek prijst haar om haar ruim een halve eeuw geleden al vooruitziende blik en vertelt dat John le Carré in 1968 eenzelfde thema aanpakt in zijn boek Een kleine stad in Duitsland.
En laat ik nu de dag erna die Le Carré puntgaaf in de kringloop zien staan.
Dat essay van Žižek lees ik daarna wel uit.
◊◊◊
Op de leestafel: John le Carré, Een kleine stad in Duitsland. 1968 (vert. J.F. Kliphuis).
Agatha Christie, Passagier voor Frankfurt. 1970 (vert. E.v. Delden).
Slavoj Žižek, Als een dief op klaarlichte dag, 2018 (vert. M. Grootveld).
Prent: Finland, 2011. Foto © Gertrudsdottir.