Hygiëne

Hij had, althans sinds hij over de middelen beschikte om naar believen de voordelen van het wereldverkeer te genieten, het reizen niet anders beschouwd dan als een hygiënische maatregel, die tegen heug en meug zo nu en dan had moeten worden doorgevoerd.
– Thomas Mann

Gisteren kwam in mijn leesclubje De dood in Venetië op tafel, een novelle met een geringe omvang en een hoog soortelijk gewicht. Thomas Mann ontvouwt op slechts 110 bladzijden een gelaagd verhaal dat mij telkens weer doet halthouden om de lengte, de hoogte, de breedte en de diepte van het vertelde te kunnen bevatten. Ingewikkelde zinnen, ongebruikelijke woorden (hiëratisch, psychagoog, velleïteit), verwijzingen naar Acheloüs, Hyakintos, Kritoboulos, Pontos.

Nee, dit is geen boek om in één middag vlug vlug uit te lezen.

Om überhaupt iets zinnigs over een boek te kunnen zeggen heb ik altijd een tweede lezing nodig, maar bij Thomas Mann is dat niet genoeg.

Na de eerste lezing weet ik de afloop, in de tweede ontdek ik het hoe en wat en waarom; intussen zoek ik dan op wie Kritoboulos is, probeer ik de betekenis van velleïteit te onthouden en denk ik na over het woordpaar behoedzaamheid en omzichtigheid, waar ik bij de tweede zin op stuitte:

Overmatig gespannen door het moeilijke en gevaarlijke, juist op dat ogenblik de grootste behoedzaamheid, omzichtigheid, doordringend vermogen en precisie van wil vereisende werk van de morgenuren, had de schrijver het voortdraaien van de producerende machinerie binnenin hem, van die ‘motus animi continuus’ waarin volgens Cicero het wezen van de welsprekendheid bestaat, ook na het middagmaal niet tot stilstand weten te brengen en had niet de bevrijdende sluimer kunnen vinden die hij, met het steeds sneller verbruikt raken van zijn krachten, één keer per dag zozeer nodig had.

Om te ontdekken hoe Mann zijn verhaal opbouwt, waarom hij de beeldtaal gebruikt die hij gebruikt, waarom hij hier versnelt en daar vertraagt (en hoe hij dat doet) en om de verschillende verhaallagen te ontdekken en hoe die met elkaar in verband staan lees ik het verhaal een derde keer, niet of minder geplaagd door raadselachtige betekenissen of verwijzingen.

Over het effect dat de taalkeuzes van Thomas Mann (en van zijn vertaler) op de sfeer van het verhaal hebben zijn treffende voorbeelden te geven, maar die mag iedereen zelf ontdekken. Ik laat het hier bij twee notities,  een over zelfstandig gebruike bijvoeglijke naamwoorden, een ander over een parallele laag in het verhaal.

Eerst de woorden waarmee de verteller zijn hoofdpersoon aanduidt. Deze hoofdpersoon, Aschenbach, duidt het object van zijn intense bewondering, de jongeling Tadzio, aan als ‘de schone’, terwijl de verteller Aschenbach zelf ‘de eenzame’ noemt. Maar wanneer in het slothoofdstuk de stille, intellectueel-kunstzinnige bewondering van ‘de eenzame’ tot een fatale obsessie is verworden, wordt de willoos aan Eros overgeleverde Aschenbach met steeds wisselende benamingen aangeduid, die elk een ander aspect van ’s mans overgekookte gemoed benoemen: de avonturierende, de verdwaalde, de verliefde, de verwarde, de verdwaasde, de onverzettelijke, de ouder wordende, de geplaagde, de gekwelde. Een verzameling zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden heeft de plaats ingenomen van de persoon. Van Aschenbach zelf, de eerbiedwaardige, gedisciplineerde, cerebrale kunstenaar, is tegen die tijd niets meer over dan een door blinde begeerte overrompelde, met blingbling, haarverf en rouge opgedirkte fat.

De parallelle laag betreft de rol van Venetië. Ook zij wordt ‘de schone’ genoemd, maar dat blijkt een gecorrumpeerde, verderf zaaiende schoonheid te zijn. En terwijl Aschenbach behoedzaamheid en omzichtigheid terzijde schuift, terwijl de verliefde van geen moraal of discipline wil weten, roekeloos bereid is om niet enkel zichzelf maar ook het object van zijn bevlieging aan groot gevaar bloot te stellen om maar zo lang mogelijk in de nabijheid van ‘de schone’ te kunnen blijven, laten stadsbestuur en hotelpersoneel elke verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun gasten varen. De fysieke hygiëne die Venetië bedrijft door haar straten met ontsmettingsmiddel te besproeien, is symbolisch, morele hygiëne is haar vreemd: terwijl er een dodelijke epidemie woedt, stelt de stad uit louter geldgewin haar bezoekers bloot aan verheimelijking, bedrog en besmetting.

Juist op deze spontane reis, die Aschenbach nu eens niet ‘tegen heug en meug’, als was het een ‘hygiënische maatregel’, maakt, is er van geen hygiëne sprake.

◊◊◊

Thomas Mann, De dood in Venetië. 1911. De citaten komen uit het eerste hoofdstuk in de vertaling van H. Hom uit 2002.

Prenten: Venetië, 2019. Foto’s © Gertrudsdottir.