Er was eens een man die op een dag dat hij naar buiten kon, zijn fiets pakte – een gewone herenfiets met terugtraprem – en weg fietste.
Hij fietste aan één stuk door, min of meer zoals de vogel vliegt. Onderweg at hij de meegebrachte boterhammen op. En dan fietste hij weer door, tot hij in Brussel was. Daar keerde hij om en begon aan de lange rit naar huis.
Hoe hij heette weet ik niet. Ook niet hoe oud hij was toen hij al die kilometers wegtrapte, heen en terug. Wel waar hij woonde: in het Hooghuys in Etten-Leur. Janneke, de vrouw die me over hem vertelde, was er psychiatrisch verpleegkundige.
En dan was er Herman. Dat was ook een vaste bewoner van het Hooghuys. Als hij naar buiten kon pakte hij niet de fiets maar de bus naar Breda, waar hij in café de Bommel probeerde uit je glas te drinken, je shag bietste en om geld vroeg voor de bus terug.

Jaren later, toen ik niet meer in de Bommel kwam en Herman al tijden niet meer had gezien, kwam ik hem tegen in een boek van de kunstenaar Marlene Dumas. Ik herkende hem direct.
Van Herman maakte ze twee portretten, van andere bewoners en medewerkers van het Hooghuys één. Het zijn schilderijen op basis van polaroidfoto’s. Tussen de beide Hermannen in staat rocklegende Jim Morrison met de gespreide armen van de Vitruviusman of van de gekruisigde. Er zitten ook een paar dierportretten bij. En een gedicht van Jan Arends.

Het is een reeks waar ik lang naar kan kijken. En dan stel ik me voor dat de fietser er ook bij zit. Dat Dumas hem heeft geschilderd op een dag dat hij niet naar Brussel fietste.
◊◊◊
Marlene Dumas, Het Hooghuys (Maar wie ik ben gaat niemand wat aan).1990-1991.
36 olieverfschilderijen van 60 x 50 cm.
Te zien in Museum De Pont in Tilburg.
Dit is het gedicht van Jan Arends, uit de bundel Lunchpauzegedichten (1974).
IK
ben niet bang
voor wat er
zal gebeurenEr zullen
witte dieren
door het veld
gaan lopen
en dat
zal alles zijn