
Verwacht niet te veel van het einde van de wereld is een speelfilm uit 2023. Op minuut 55 blijft deze avondvullende Roemeense film een poosje staan bij de hier afgebeelde klok. De heldin van de film, een kauwgombellen blazende overwerkte stresskip met als alter ego een vuilspuitende influencer op TikTok, staat er op haar sokken naar te kijken tot een beweging van de camera de cirkel van de tijd weer sluit.
Elk jaar kijk ik eind december uit naar een passend motto om me het aankomende jaar op de richten. Meestal komt zo’n motto uit zichzelf naar me toe, actief ernaar zoeken heeft geen zin. Of deze wijzerloze klok motto-gehalte heeft, zal ironisch genoeg de tijd moeten uitwijzen.
De dag na de film bracht de post het boek dat ik al vóór de feestdagen had verwacht: Chassidische legenden verbeeld door H.N. Werkman.

Drukker-kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945) maakte begin jaren 1940 een tweetal ‘suites’ van elk tien bladen over de legendarische Poolse rabbijn Baalschem. Een aantal ervan kende ik al – het radioprogramma Openbaar Kunstbezit nam blad nr. 7 op in zijn eerste jaargang, blad nr. 4 zag ik als luxe ansichtkaart in een museumshop.
Ook zonder dat ik wist wie de Baalschem was, maakten Werkmans beelden indruk – als afbeelding, maar ook vanwege de bijzondere techniek van de kunstenaar. Dit is geen regulier drukwerk, hij ‘schildert’ met de (hand)drukpers, snijdt spontaan ogende sjablonen uit papier, tekent met drukkersgereedschap en tekens uit de letterbak en completeert deze volstrekt eigen signatuur met een indrukwekkend helder palet van drukinkten. Elk blad is in oplage vervaardigd, elk exemplaar van zo’n oplage vraagt vele drukgangen en het is allemaal handwerk, waardoor elk eindproduct uniek is.
Dat zo’n werkwijze niet rendabel is, speekt voor zich. Het was voor Werkman geen reden om er dan maar mee te stoppen. Juist integendeel.
Nu ik de bladen in huis heb, bekijk ik er elke dag een paar en lees de toelichtingen. Werkman haalt zijn beelden uit de door godsdienstfilosoof Martin Buber na lange innerlijke strijd ‘aus Blut und Geist’ geschapen mystieke verhalen over de oud-chassidische zaddik (leider) Israël ben Elieser, die in de achttiende eeuw in een getto in Polen leefde en de Baalschem werd genoemd. Hij gaf onderricht aan en over eenvoudige mensen en deed soms wonderen. Het zijn vreemde en vaak ook bevreemdende verhalen die ik nog niet allemaal ten volle begrijp.

De twintig bladen van Werkman zijn een soort levensloop van de Baalschem, vanaf zijn roeping tot zijn levenseinde. Ze gaan over gebeurtenissen uit zijn arbeidzame leven of over de dingen die hij zijn gehoor vertelde. Elk verhaal mondt uit in een religieus inzicht of een mystiek ervaren.
Per blad wordt in het Duits de passage van Buber aangehaald waardoor Werkman zich heeft laten inspireren, gevolgd door een samenvatting van de legende en een schets van wat de mystieke (‘mystische’) betekenis ervan is, soms onder onnadrukkelijke verwijzing naar overeenkomsten tussen de chassidische en christelijke godsdienstige gebruiken.
Het is fijn om deze duiding bij Werkmans bladen te hebben en te ontdekken wat Werkman zo inspireerde, maar raken doen de begeleidende teksten me niet echt. Tot ik in de tweede suite aan blad 18 begin, een legende die belang en betekenis van de sabbat tot thema heeft: de zevende dag van Gods schepping, ook in de godsdienst waarin ik ben opgegroeid een rustdag, van God en van de mens.
. . . [de Sabbat] breekt een opening in de ring der tijden, een blanke weerschijn valt in den duisteren kringloop der tijden . . .
Het verhaal dat de Baalschem hier aan zijn gehoor vertelt is eenvoudig naverteld: een tot armoede vervallen bejaard echtpaar heeft op de vooravond van de sabbat niets in huis om deze heilige dag op de juiste (‘waardige’) wijze te vieren. Diepbedroefd gaat de man naar de synagoge, maar bij thuiskomst treft hij toch een gedekte tafel aan, met spijs en drank en de sabbatskaarsen brandend. Zijn vrouw legt uit dat ze tussen hun schamele spulletjes een hemd met fraai borduursel en kostbare knopen vond, knopen die ze kon verkopen zodat ze alsnog op tijd de sabbatsinkopen kon doen. Het oude paar maakt van blijdschap en dankbaarheid een vreugdedansje door de kamer. Na de soep doen ze dat nogmaals, en na het verorberen van ‘de toespijs’ dansen ze voor een derde keer samen.

Die dansjes van de twee oudjes, zegt de Baalschem, mogen we zien als de aardse variant op de dans der engelen in het aanzien van God. En wat is dan de sabbat? Dat is het door God aan de mens geschonken moment van herademing.
Even speelt de tijd geen rol, en in deze tijdloze vrijheid dansen twee oude mensen met elkaar als in een hervonden bruidstijd: sabbat en sabbatsvierders vallen in deze ‘diep-mystische personificatie’ samen, en dat moment, dat heilige moment, is door Werkman vastgelegd.
In simpele vormen en subtiele kleuren is daar de bres in de tijd die de sterveling even respijt geeft van de beslommeringen van alledag. Dat ontroert me – en het geeft te denken. Staan in al hun devote eenvoud legende en afbeelding niet vreselijk ver af van de rusteloze rond-de-klok-consumenten die wij geworden zijn?
Eigenlijk wel, want wat is er nog over van de wekelijkse rustdag waarvoor we ooit onze zondagse kleren afborstelden en aantrokken? De ‘homo consumens’ leeft weliswaar constant naar zijn vrije zondag toe, maar een diep-mystische vrijheidsbeleving zegt hem niets. Zijn focus ligt op de onbelemmerde bevrediging van zijn aardse behoeften, waarbij hij zich non-stop laat aanjagen door de lokroep van de commercie, die de ene nieuwe trend na de andere propageert.
Maar dan denk ik aan die 55e filmminuut, aan de regisseur die de tijd stilzet zodat zijn gestreste protagonist even op adem kan komen, niet op TikTok gaat, zelfs geen kauwgombel blaast, maar in volmaakte stilte pas op de plaats maakt. Op haar sokken. Dansjes van dankbaarheid levert het niet op, maar het gevoel van welbehagen dat neerdaalt over degene die zo’n bres in de tijd omarmt, is van een soortgelijk kaliber.
◊ ◊ ◊
Chassidische legenden. Verbeeld door H.N. Werkman. 1982 (1941).
Met teksten van F.R.A. Henkels naar Martin Buber, Die Legende des Baalschem (1907). Inleiding en nawerk J. Martinet.
De Oost-Europese rabbijn Israël ben Elieser (ca. 1700-1760) is bekend geworden onder de naam Ba’al Sjem Tov, ‘Meester van de Goede Naam’, ofwel Baalschem. Als spiritueel leider van de Pools-Litouwse chassidim was hij geen voorstander van een vlucht uit of ontkenning van het barre alledaagse leven in het getto, maar streefde hij naar eenwording van die harde werkelijkheid met de nieuwe werkelijkheid van de geest: blijde aanvaarding van het door de Schepper gegevene. Uit de zevende legende blijkt dat die opgaaf hem zelf niet altijd licht valt, dat maakt hem des te menselijker.

Openbaar Kunstbezit. Stichting voor Esthetische Vorming, door middel van de radio, in woord en beeld. Jrg. 1, 1957. Aflevering 17: H.N. Werkman, De weg terug (Chassidische legenden, nr. 7). Abonnees van dit radioprogramma kregen jaarlijks een klapper thuisgestuurd met daarin 37 kleurenreproducties van op Nederlandse bodem vervaardigde kunstwerken uit allerlei periodes, vergezeld van de tijdens de radio-uitzending uitgesproken deskundige toelichting. Tegenwoordig liggen de klappers voor 50 eurocent in de kringloop.
De term ‘homo consumens’ heb ik geleend van psychotherapeut Erich Fromm, die al in de jaren zeventig kritiek had op de ‘ik consumeer dus ik besta’-houding van de westerse mens:
Het is de houding van de man of vrouw met de opengesperde mond die alles gulzig consumeert: drank, sigaretten, films, televisie, lezingen, boeken, kunsttentoonstellingen, seks; alles is een consumptieartikel geworden.
Meer over Fromms Homo Consumens op Philosophical Society dot com.
Prent 1 en 6: filmstill uit Nu aȿtepta prea mult de la sfarȿitul lumii (Verwacht niet te veel van het einde van de wereld), 2023. Regie Radu Jude. Onder de wijzerloze klok hangt een handgeschreven briefje: ‘Het is later dan je denkt’.

Overige prenten: H.N. Werkman, Chassidische legenden, 1941. Omslagbeeld, nrs. 4, 7 en 18.