
Het Haags Kunstmuseum presenteert Nachtdieren, twee kunstenaars die in hun werk het donker opzoeken: Leon Spilliaert en Dirk Braeckman. Ik ben er net op tijd bij, de tentoonstellingsperiode is op een haar na voorbij, de catalogus uitverkocht.
Spilliaert, de kunstschilder en symbolist van rond de vorige eeuwwisseling. Braeckman, de fotograaf die louter in zwart-wit werkt, louter in groot formaat. Van de een heb ik nog nooit werk in het echt gezien. Ik zag wel het naar hem vernoemde Spilliaerthuis, dat ik in 2018 in Oostende fotografeerde, en een schilderij van hem dat het omslag van een boek van K. Schippers siert. Van Braeckman zag ik een overzichtstentoonstelling in M Leuven.
Ik loop een ronde door de zalen om de werken te bekijken, zonder iets te lezen. Een werk van Spilliaert wordt telkens gepaard met een werk van Braeckman, vaak met groot effect. Maar waarom het museum deze twee kunstenaars nachtdieren noemt wordt me met alleen kijken niet duidelijk. Dat ze allebei een duister palet hanteren is wat mij betreft een treffender overeenkomst.
Als ik op mijn tweede ronde de zaalteksten lees, valt me de nadruk op waarmee het museum ernaar streeft de twee kunstenaars telkens weer onder één noemer samen te brengen. Al krijgen ze daarbij ieder een totaal andere benadering.
Over de een leer ik dat hij de slaap niet kan vatten, kom ik te weten dat hij ’s nachts door zijn stad doolt. Hij schetst en schildert duistere marines die hij zakelijke titels geeft: zee, dijk, kustlijn. Of gewoon: marine. Binnen, thuis, maakt hij dof getinte interieurstukken die hij ook zo noemt: interieur.
Over de ander leer ik niet of hij de slaap kan vatten, kom ik niet te weten waar hij de foto’s maakt die hij in zijn donkere kamer bewerkt. Daar ontstaan de duistere, doffe beelden die hij objecten noemt en titels geeft als in een archief: initialen, cijfers, een jaartal.
Over de man Spilliaert wordt op de zalen een soort medisch communiqué gegeven: die slapeloosheid, een maagzweer, mensenschuw. Fysieke kwalen, psychische gesteldheden, eenzaamheid. Al die misère wordt lustig gekoppeld aan de stappen die Spilliaert zet als kunstenaar. Zijn marines en interieurs zouden er haast een droefgeestigheid van gaan uitstralen die ze op mijn eerste ronde niet hadden.
Over de man Braeckman worden geen medische details onthuld. Zijn fysieke en psychische conditie blijft onbesproken, over zijn stappen als kunstenaar leren we weinig meer dan dat hij zijn beelden (‘objecten’ dus) in de donkere kamer laat ontstaan. Naar zijn werk kun je dus, ongeacht de zaaltekst, onbelemmerd kijken en zelf bepalen wat je ziet.
Het gekke is dat ik, nu ik in Den Haag werken terugzie die ik destijds in Leuven zag, me herinner in wat voor stemming de zaalteksten van M me toen dompelden. De Leuvense presentatie ging over onderwerpskeuze, plaats van handeling, idee erachter. Rondom de groot formaat bedranden, gordijnzomen, kachels en radiatoren, tapijtmotieven en damesfragmenten werd daarmee een sfeer van clandestiene groezeligheid geschapen. Hier in Den Haag is van geen groezeligheid sprake.
Maar goed dat ik op mijn eerste zalenronde niet meteen de presentaties ben gaan lezen. Dan was me misschien wel ontgaan wat me nu in deze werken het meeste aanspreekt: niet de nacht, niet het duister, maar de stilte. Spilliaerts zwijgende interieurs die dingen hebben gezien waarnaar de beschouwer naar believen mag raden. Zijn marines en dijken, die net als Braeckmans anonieme interieurfragmenten, tegelwanden en landschappen, er enkel zijn, mij hun palet tonen, hun licht en donker, bries en deining. De duistere dramatiek van onbestemde vormen in wit en grijs en zwart. De dofheid van Spilliaert wordt gecomplementeerd door Braeckmans diepe donker. De doffe donkergrijzen van Braeckman vinden een spannende tegenhanger in Spilliaerts lichtende lijnenspel.
Ik loop een derde ronde en kijk mijn ogen uit. Kunst die niet verhaalt. Die geen verhaal nodig heeft.
Weer thuis bedenk ik dat er op deze tentoonstelling iemand ontbreekt.
Een derde meester van het duistere palet. Ook een Oostendenaar. Ook een marineschilder. Voor mijn part ook een nachtdier. Thierry de Cordier.

Thierry de Cordier, Ostende (“La Mer du Nord à Ostende”), 1982.
◊◊◊
Prent 1: Leon Spilliaert: Hofstraat Oostende. 1908 / Dirk Braeckman: V.B.-C.N.-11. 2011. (Beide beelden komen van het tentoonstellingsaffiche Nachtdieren, Kunstmuseum Den Haag; beeld Spilliaert courtesy Francis Maere Fine Arts; foto: Cedric Verhelst)
Hier staan foto’s van het Spilliaerthuis in Oostende. Leon Spilliaert tekent ook voor de afbeelding op K. Schippers’ bundel literaire kunstbeschouwingen Andermans wegen uit 2020.

Meer Thierry de Cordier hier.
Hier een marine uit eigen doka:

Gustave Petit, De zee. Diapositief, 1981. Beeldbewerking Gertrudsdottir, 2024.