
Er is geen hond die een eigen leven leidt. Allemaal illusie. Dat ga ik niet uitleggen, je moet er vroeg of laat zelf achter komen.
Alfred Birney
◊◊◊
Voor mijn eerste werk na de cursus leen ik van kunstenaar Klaas Gubbels koffiekan, asbak en positionering in zijn werk Ricard, van regisseur Radu Jude de wijzerloze klok uit de speelfilm met de lange titel die ik eerder besprak in Een bres in de tijd. Het tafelkleedje is van mij, de lemen achterwand ook. De brandende sigaret is van alle illusies de geurigste.
Klaas Gubbels, Het ongelijke van hetzelfde. Monografie, 2023.

Alfred Birney heeft voor zijn boekje Januari (2023) een ik-verteller tot leven gewekt die mij op nog geen 100 pagina’s een verrassend aantal keren versteld doet staan. In de kieren en plooien van zijn op luchtige, zelfs wat nonchalante toon vertelde petite histoire van een jonge straatgitarist die begin jaren zeventig gehuld in een naar patchouli geurende hippiesjaal door de Hofstad dwaalt op zoek naar het volgende tijdelijke onderdak schuilt van alles wat een herlezing de moeite waard maakt. Zijn verteller wijst je daar subtiel op, je leest er bijna overheen:
Soms vertel je dingen van niks om niet die dingen te hoeven vertellen die ook al niks waren maar waar een ander “zich wel iets bij voor kan stellen” zoals men dat tegenwoordig zegt.
De nummers die de verteller tussen de bedrijven door vertolkt op zijn al net zo verkleumde gitaar leveren een hele playlist op, van Bert Jansch via Arlo Guthrie en Donovan naar Focus en Traffic, en van Jefferson Airplane via Bob Dylan en Leonard Cohen naar Jimi Hendrix. Met in zijn hoofd de naadloos in het verhaal passende misfit ‘Belletjes’ van Martine Bijl.