Kijken als een ezel

Au hasard Balthazar van Robert Bresson wordt door collega-regisseurs en filmkenners gezien als een cinematografisch meesterwerk. Dankzij de langdurige beschikbaarheid op streamingdienst Mubi heb ik de film al een paar keer gezien, en dat was nodig ook. In de woorden van de maker zelf: dit is geen cinema als amusement maar cinematographe art, cinematografie als kunst dus. Met in de hoofdrol de muilezel Balthazar.

Bresson geeft zijn ezel een Bijbelse naam en plaatst hem tussen mensen die, zo drong beetje bij beetje tot mij door, ondeugden of zwakheden representeren: gulzigheid, gierigheid en lust (de graanhandelaar), trots en eigenliefde (de vader van Marie), drankzucht en landloperij (Arnold), onverschilligheid en lauwheid (de pastoor), etc. Alle hoofdzonden komen voorbij. Zelfs de zachtmoedige Marie komt in bekoring van het kwaad. De enige met louter positieve eigenschappen is de brave Jacques, die consequent het goede doet en vergevingsgezind is – reden voor Marie om hem af te wijzen en tegen beter weten in aansluiting te zoeken bij de boosaardige Gérard, die zich schuldig maakt aan respectloosheid, dierenmishandeling, diefstal en verkrachting.

Maar de menselijke verwikkelingen zijn niet het hoofdonderwerp van Bressons film. Ze spelen zich min of meer in de coulissen af, vaker gesuggereerd dan verteld. Onderwerp is het leven van de ezel. Een biopic dus, met twee invalshoeken. Enerzijds is er parallellie, anderzijds tegenstelling. Enerzijds is er de levensloop die dier en mensen gemeen hebben: de gang van geboorte via zoete jeugd, verplichtingen en hard werken naar aftakeling en een wisse dood; anderzijds is er de status van het lastdier tegenover de mensen die hem als hun eigendom beschouwen, die hem naar believen aanhalen of afranselen, verzorgen of verwaarlozen. Die mensen, beheerst door hun slechte eigenschappen, zijn de oorzaak van het stille lijden van de ezel en uiteindelijk de veroorzakers van zijn dood. 

De gelijkenis met het lijdensverhaal van Jezus Christus is nooit ver weg. Bresson zelf zegt daarover dat de ezel een ‘mystieke christelijkheid’ heeft.

In online artikelen verliezen critici zich in het opsporen en opsommen van Bijbelse raakvlakken. Voor Bijbelkenners leuk om te lezen, voor de leek op Bijbelgebied wellicht ook leerzaam, maar niet essentieel om de film te begrijpen. Veel interessanter is de radicale manier waarop Bresson het verhaal van Balthazar in beeld brengt. Want die manier is verre van gebruikelijk, en dat is de belangrijkste reden voor de drempels die deze film opwerpt voor de onvoorbereide kijker.

Als Au hasard Balthazar de biopic van een muilezel is, dan wordt het de kijker niet gemakkelijk gemaakt om deze levensloop te volgen. De verhaallijn is chronologisch, maar van vloeiende overgangen of zelfs van samenhang is geen sprake. Bresson toont half of driekwart in beeld gebrachte scènes, close-ups van geldlades, stokbroden, traptreden en hekpalen, lang aangehouden shots van regen of sneeuw op een ezelrug, van ezelpoten in de modder terwijl de actie zich hoorbaar buiten beeld afspeelt. 

De titel (in het Nederlands zoiets als ‘Op goed geluk, Balthazar’) zegt het al: ongeacht wat of wie we zien, het gaat over de ezel die door de mensen om hem heen letterlijk of figuurlijk voor hun karretje wordt gespannen. Dat wordt onderstreept door de afstandelijke manier waarop de menselijke personages hun rol neerzetten. Bresson ontzegt zijn acteurs elke vorm van expressie: dialogen worden zonder intonatie opgezegd, uitroepen klinken vlak (‘Marie Marie’), emotie blijft beperkt tot een stille traan, woede tot een stijve grimas. Elke vorm van empathie van de toeschouwer voor een van de menselijke personages wordt consequent gedwarsboomd door Bressons nadrukkelijk stugge, kale cinematografie, zijn abrupte scènewissels.

Dat begint al bij de titelrol: ook daarmee heeft Bresson een ontregelende bedoeling. Terwijl de namen van de medewerkers te zien zijn wordt de pianomuziek abrupt onderbroken door een luid balkende ezel, een onmelodieus geluid dat lang genoeg aanhoudt om je er ongemakkelijk bij te voelen.

Dat ontregelen, daar draait het om. Althans, in eerste instantie. Want met enkel ‘ontregeld zijn’ is de toeschouwer nog niet waar Bresson hem hebben wil.

Bressons bedoeling van dat gebalk is wel duidelijk, over zijn bedoeling met het achtergrondbeeld doe ik wat langer. Wat is er te zien? Achter de grijze onderkastletters zie ik grauw-grijze oneffenheden. Modderkluiten? Ik spoel de titelrol terug en dan weet ik het zeker: Bresson laat zijn toeschouwer vanaf beeld één naar de setting kijken als was hij een ezel.

Die overeenkomsten met de Bijbel, het invullen van een verhaallijn, de lang niet altijd te achterhalen motieven van de menselijke personages – voor een ezel doet dat er allemaal niet toe. Het is allemaal geestelijke ballast die afleidt van waar het Bresson om te doen is: zo min mogelijk tonen, het mysterie intact laten, de toeschouwer aan het werk te zetten, hem te laten raden. Bresson filmt zijn scènes met een 50mm lens, zonder trucs, zonder effecten. Alle eer voor de beelden die dat oplevert gaat wat hem betreft naar de camera, omdat die vastlegt wat het oog niet kan vastleggen – omdat onze geest zich bemoeit met wat het oog ziet. Het liefst zou hij helemaal niets tonen, maar omdat dat onmogelijk is, beperkt hij zich tot een enkele invalshoek, die alle andere invalshoeken suggereert zonder ze te tonen. 

Een film van Bresson kijken wordt daarmee een oefening in ‘leeg’ kijken: zonder aannames of veronderstellingen, zonder voorrang voor verhaallijn of logica, zonder direct van alles te vinden. Kijken met een lege blik. Als een ezel.

◊◊◊

Robert Bresson, Au hasard Balthazar. 1966. 

Analyse et commentaires sur ‘Au hasard Balthazar’, een video-essay van Y. Rolandeau waarin Bresson zijn cinematografische opvattingen toelicht. Frans gesproken, Engels ondertiteld. Gezien op YouTube.

Prenten: stills uit de besproken film. Bron: IMDb.