Klassieker

De hele gletsjer was daar en versperde Joseph de weg, en daarom legde Joseph zijn hoofd in de nek; en opnieuw verscheen dat reusachtige ding, dat onwerkelijke, onbegrijpelijke ding, dat niets voortbracht en nergens goed voor was, alsof je aan het einde van het leven was gekomen, aan het einde van de wereld en het leven.

– Ramuz, De grote angst in de bergen

Boeken over de bergen interesseren me. Een van de titels in het Senia-aanbod van dit seizoen is De grote angst in de bergen van Charles-Ferdinand Ramuz. 

Senia biedt Ramuz aan in haar selectie Klassiekers, en dan vraag ik me meteen af: wat is eigenlijk een klassieker? De achterflap afficheert Ramuz als ‘auteur van een machtig maar buiten Zwitserland relatief onbekend gebleven oeuvre’ en dit boek als ‘een meesterwerk’.

Het berglandschap op de Nederlandse editie is een tikkeltje tam. Franstalige uitgaven zetten forser in op het visualiseren van de angst uit de titel.

Senia levert bij elke titel een leeswijzer met informatie over boek en auteur plus suggesties voor een gesprek over het gelezene. Die leeswijzer blijft dus dicht tot ik het boek gelezen en ‘herkauwd’ heb.

Veel tekst is het niet. Ramuz heeft slechts 179 pagina’s nodig om te vertellen over een meervoudige tragedie die een kleine, verarmde boerengemeenschap in de Zwitserse Alpen treft. Het is het verslag van een vooraf aangekondigde aaneenschakeling van dramatische gebeurtenissen, met slechts een handvol personages waarvan de meesten vaker zwijgen dan praten – en met een verteller die ons niet altijd deelgenoot maakt van wat er wordt gezegd.

Aard en inhoud van het drama laat ik hier onbesproken, daar is voor wie het weten wil zonder het boek te lezen online van alles over te vinden. Ik wil wel iets zeggen over de vertelinstantie, omdat die met zijn merkwaardige manier van vertellen, niet de makkelijkste manier voor de lezer overigens, de weerbarstige kracht van het vertelde bepaalt. En dat, vermoed ik, levert een grote bijdrage aan de ‘klassiekheid’ van deze roman.

Ramuz zet een anonieme, alwetende verteller in die als onzichtbaar narratief instrument voortdurend bij de handeling aanwezig is. Soms vertelt hij rechtstreeks vanuit een van de personages en geeft diens gedachten en gevoelens weer, dan weer staat hij naast de personages en beschrijft hun handelingen van buitenaf; soms zweeft hij op grotere hoogte boven de handeling en beschrijft de personages als zwarte puntjes in een immens landschap, dan weer staat hij er zelf, hetzij als toeziend, hetzij als deelnemend personage, midden tussen.

Deze wisselende perspectieven vinden, net als de sprong van personage naar personage, abrupt plaats, soms in dezelfde alinea. Ik moest de kop er goed bijhouden en weleens een passage herlezen, om het spoor niet bijster te raken.

Echt houvast vond ik toen de verteller zichzelf aanduidde als “we”. Hij gebruikt ook wel andere, algemenere vormen (je, men), maar dat “we” ken ik van die andere klassieke auteur, William Faulkner. Die gebruikt het onder meer in het verhaal ‘A Rose for Emily’, dat net als Ramuz’ roman in de tweede helft van de jaren twintig verscheen. Het doorgronden van dat “we” is volgens mij zo’n beetje de sleutel tot het verhaal.

Bij Ramuz wordt met “we” de boerengemeenschap bedoeld, in het bijzonder de jongere veeboeren die zich afzetten tegen hun collega’s op leeftijd die weliswaar gepokt en gemazeld zijn in het vak maar vasthouden aan door de tijd achterhaalde ideeën.

Net als bij Faulkner is dit “we” er ook een dat de lezer ongemerkt binnenhaalt, hem bij het verhaal betrekt, hem de gebeurtenissen van dicht, heel dichtbij laat meebeleven, ongeacht wie het handelende (of denkende, of belevende) personage is. 

En het is een “we” dat sluipenderwijs lijkt te veronderstellen dat de lezer er hetzelfde gezichtspunt op na houdt als de gemeenschap die de verteller, zonder dat met zoveel woorden te zeggen, vertegenwoordigt.

Dat de verteller niet per se een neutraal standpunt inneemt, begon mij trouwens pas te dagen toen ik het boek voor de tweede keer las. Tijdens de eerste lezing was al mijn aandacht uitgegaan naar wat de dorpelingen, en dan vooral degenen die voor de korte zomermaanden naar de hooggelegen alpenwei gaan, te wachten staat. Dát hun iets te wachten staat, en dat dat niet veel goeds is, is van meet af aan duidelijk – en dat maakt zo nieuwsgierig dat je in je haast om achter de details te komen, over dingen heen gaat lezen.

Ach, het is zo klaar als een klontje! We weten best, we weten maar al te goed wat het is, als het eenmaal begint (. . .) We weten maar al te goed, als het ongeluk komt (. . .) Eerst het bloed . . . Het vee komt in het midden . . . Daarna komt de duisternis.

Herlezend lukt het al beter om me bewust te blijven van die verteller die naar believen dingen weglaat of juist heel gedetailleerd vertelt en herhaalt. Ik ontdek veel wat ik in de eerste lezing niet heb meegekregen: over de gebeurtenissen maar ook over de personages – die in eerste instantie op het karikaturale af geschetst lijken te worden maar bij nader inzien toch meer diepgang hebben. Zoveel niet meteen opgemerkte toevoegingen zijn het, dat het wel iets te maken moet hebben met aard en wezen van de klassieker: een boek waar je nooit klaar mee bent, waar je bij elke lezing nieuwe diepten in ontdekt: of dat nu narratieve manipulaties van de verteller of kenmerken van de personages zijn, of elementen in de landschapsbeschrijvingen, of vooraankondigingen waar je eerst gewoon overheen las.

In het geval van Ramuz lijkt een klassieker een boek te zijn dat intrigeert, ook als je niet direct begrijpt waarom. Dat van de lezer aandacht en geduld verlangt. Dat zijn geheimen niet zomaar prijsgeeft, en waar elke lezing nieuwe lagen aan toevoegt terwijl de tekst gewoon dezelfde blijft.

En dan sla ik Ramuz dicht, zet mijn computer aan en het eerste wat ik in mijn WordPress Reader tegenkom is deze uitspraak van Italo Calvino:

Een klassieker is een boek dat nooit ophoudt te zeggen wat het te zeggen heeft.

◊◊◊

Charles-Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen. Vert. R. Hofstede, 2019, van La grande peur dans les montagnes, 1929. 

De vertaler licht in een nawoord vertaalkeuzes toe en ontvouwt zijn visie op het boek. Terecht een náwoord: die vertaalkeuzes had ik graag vooraf geweten maar ik ben blij dat ik zijn visie (‘een ecologische roman avant-la-lettre’) pas achteraf wist. Ik lees graag op eigen kracht, ook als dat betekent dat ik er aanvankelijk misschien weinig van snap.

Het boekomslag van de editie die ik las (tweede druk, april 2019) is van Lotte Dirks.

William Faulkner, ‘A Rose for Emily’, 1929. Ik vertaalde het verhaal en schreef er een artikel over, ‘Wat Emily deed’. 

De vraag Wat is een klassieker? kwam een stuk dichter bij een antwoord toen het citaat van Calvino me zomaar in het oog sprong, over serendipiteit gesproken. Het staat in zijn boek Perché leggere i classici, 1991 (Waarom zou je de klassieken lezen?). In mijn reader zag ik een Engelse variant van het citaat op een plaatje van een boekenlegger in het bericht Notitie 490: ‘Nieuwe schoonheid’ van 6 oktober 2025 op het blog ‘Het leven als voorlopige oplossing’ van Pascal Cornet. Ook de Nederlandse vertaling is van hem. In dank overgenomen.

Senia is een organisatie die mensen aan leesclubs helpt en leesclubs aan mensen. De leeswijzer, die ik intussen gelezen heb, gaat niet in op de vraag waarom Ramuz in hun selectie Klassiekers is opgenomen, laat staan op wat een klassieker eigenlijk is.

Prenten: Zwitserland, 1981. Foto’s © Gertrudsdottir.