Astanblaft!

Kubbe gliek meuten draaiboek bezijken, mier Dieders?

Het gebeurt niet vaak dat ik hardop moet lachen om iets wat ik zit te lezen, maar het was me in deze verhalenbundel al een paar keer overkomen eer ik in het laatste verhaal bij bovenstaand verzoek was aanbeland. Het wordt gericht tot J.A. Deelder, die in zijn kwaliteit als nachtburgemeester van Rotterdam is gevraagd een evenement met zijn aanwezigheid op te luisteren. Deelder was dichter en voordrachtskunstenaar, wat niet direct betekent dat zijn teksten goed te verstaan zijn. Het boek erbij houden helpt.

De meeste verhalen in de bundel zijn, zo lijkt het, op autobiografische leest geschoeid. Ze hebben raakvlakken met wat normaal gesproken onder de werkelijkheid wordt verstaan, maar Deelders woordkunst en zijn ongebreidelde fantasie transformeren die realiteit tot iets onnavolgbaar hilarisch.

Jaren geleden was het een heel ander type dat me zo aan het lachen kreeg. Toen las ik Pnin, Vladimir Nabokovs roman. Professor Pnin is een ontwapenend onhandige antiheld, eigenlijk niet te vergelijken met Deelders door de wol geverfde, ruige taal uitslaande alter ego. Maar ook Nabokovs losjes op de eigen biografie gebaseerde alter ego wist de werkelijkheid zo aanstekelijk te vervormen dat ik meermaals zat te hikken van de slappe lach.

Heerlijk.


◊◊◊

J.A. Deelder, Geheid Deelder. 1994. Het citaat staat in het titelverhaal, de uitroep in de kop boven dit artikel komt een paar keer voor in de bundel.

Vladimir Nabokov, Pnin. 2007 (1953). Vert. E. Hoog.

Prent: De kannen V, 2025. Linodruk © Gertrudsdottir.
Geïnspireerd op de koffiekannen van kunstenaar Klaas Gubbels.