
‘Jij wilt dingen snappen, in zinnen persen, maar zo loopt het tedere gevaar. Het gaat niet om de directe lijn, maar om de spiraal, om het aftasten. Je moet verkennen, niet openbreken. Het raadsel is belangrijker dan het antwoord.’
– Adriaan van Dis
De schrijver citeert hier zijn hoogbejaarde moeder, die commentaar levert op zijn zoveelste poging een bres te slaan in de muur van zwijgen waarachter ze zich al sinds zijn geboorte, vijfenzestig jaar geleden, verschanst. Het boek over zijn pogingen om zich toegang te verschaffen tot zijn moeders verleden heet Ik kom terug. Ik las het van kaft tot kaft en was keurig op tijd klaar voor de bespreking toen die werd uitgesteld. Dus las ik het nog eens.
Een tweede leesronde doet vaak wonderen voor mijn waardering, dat was ook nu het geval. Want toen ik het de eerste keer las was ik vooral overdonderd. Ik kom terug is een boordevol boek waarin moeder en zoon al kibbelend en strijdend een heel mensenleven overhoop halen. De taal is toegankelijk, de zinnen zijn kort, de alinea’s beknopt, de hoofdstukken behapbaar, en toch ontsnapt er veel aan je aandacht. Het chronologische verhaalheden van de zoon die vastbesloten is zijn afwerende moeder over haar verleden aan de praat te krijgen wordt om de haverklap onderbroken door snippers, brokken en fragmenten lang geleden geleefd, door de herinnering ingekleurd leven die juist niet chronologisch langskomen, maar waar wel een soort lijn in lijkt te zitten. Er staat meer dan er staat, in elke observatie, elke notitie van de schrijver zitten tegenstrijdigheden samengebald, je proeft woede en liefde, walging en toewijding, wrevel en aandacht, achterbaksheid en mededogen, ja zelfs onverbloemde haat. Van beide betrokkenen.
En dan dat zwijgen. Vooral dat zwijgen.
Over gevoelens sprak ze niet en al helemaal niet met haar kinderen. . . . De tijd dat je in het openbaar je hart uitstortte kwam pas met de luxe van een lange vrede en de welvaart. . . . Maar in mijn jongensjaren was het heel normaal dat je niets van het verleden van je ouders wist.
Onwillekeurig doet me dat denken aan de stille waters in mijn eigen familie. Hoe anders de omstandigheden ook zijn, de herkenbaarheid is groot – de verhalen over vroeger van de generatie die mij op de wereld heeft gezet bestonden uit een standaardrepertoire aan anekdotes waar niemand zich een buil aan kon vallen. Nu ik zelf de oudste generatie ben, zit het me nog weleens dwars dat het zo lang heeft geduurd tot ik me daarover ben gaan verbazen, tot ik besefte dat er ook dingen moeten zijn gebeurd die niet in dat repertoire zijn opgenomen. Ik ben achtergebleven met feiten en feitjes die weliswaar een tijdlijn van meer dan honderd jaar opleveren, maar meer vragen oproepen dan ze beantwoorden. En zelfs als ik er een verhaal van maak, zullen de raadsels raadsels blijven.
◊◊◊
Adriaan van Dis, Ik kom terug. 2014.
Drie van zijnVijf vrolijke verhalen uit 2021 gaan over dezelfde thema’s: de jongensjaren van de schrijver in het huis aan zee, zijn getraumatiseerde vader en de excentrieke opvattingen van zijn moeder. Ook hier mengt Van Dis zijn jeugdherinneringen en de geschiedenis van zijn familie met ferme scheuten fictie, en steekt hij dat niet onder stoelen of banken. Ook in deze bundel laat Van Dis op magistrale wijze in het midden wat werkelijkheid is en wat niet.
Adriaan van Dis, een wanhopig optimist (2021), een documentaire van Coen Verbraak, sluit bij deze verhalen aan en toont diverse locaties die er een rol in spelen. Te zien op NPO Start.
Prent: Het stille water uit het familiearchief.