
In 1975 was het, bijna een halve eeuw geleden, dat de antirevolutionaire politicus Willem Aantjes in zijn hoedanigheid van eerste fractievoorzitter het pas opgerichte Christen Democratisch Appèl toesprak met wat ‘de Bergrede van Aantjes’ is gaan heten.
Waarom zijn wij hier en waarom sta en spreek ik hier? Daar is maar één reden voor: als een getuigenis dat wij bij elkaar behoren en ook bij elkaar willen behoren.
Niet om de ogen te sluiten voor de werkelijkheid, maar om blijk te geven van onze wil om ondanks die werkelijkheid tot elkaar te komen en bij elkaar te blijven. Het CDA wil een appèl zijn op ons volk. Vandaag op onze struikelende weg van wenselijkheid naar werkelijkheid is het allereerst een appèl op elkaar en op onszelf.
Ik hoop dat we het vandaag niet zoeken in subtiele formuleringen en interpretaties, maar zullen discussiëren over de achterliggende zaken zelf. Het gaat er niet om dat wij weleens zullen uitmaken wie er christen is en wie niet. Dat is en blijft voor ieders eigen verantwoordelijkheid en geweten. Het zijn karikaturen die de discussie bederven. Waar het om gaat, is dat het aanvaarden van het evangelie als richtsnoer geen vrijblijvende zaak kan en mag zijn. Daar is het evangelie te kostbaar en uniek voor. Zwaarder referentiekader dan het evangelie is er niet. De vraag is niet, hoe goed christen iemand is, maar hoe serieus hij het principiële uitgangspunt van de door hem vertegenwoordigde politieke richting neemt voor zijn politieke activiteiten; in hoeverre het beginsel niet alleen op papier geldt, maar ook in het praktisch beleid als maatstaf en zelfs als voornaamste en laatste maatstaf zal functioneren, en waar je in die zin ook elkaar op tot de orde mag roepen. Niet als een last, maar als een bevrijding. Niet omdat je je aan het evangelie moet houden, maar omdat je ook (en zelfs) in de politiek mag wandelen aan de hand van Gods geboden en geloften.
Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het politieke handelen, maar het geeft wel richtlijnen voor het rechtstreekse politieke handelen, en soms wel degelijk heel concreet. Leest u er Mattheüs 25 maar eens op na: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
Maar dan moeten wij dat wel nú vandaag toepassen. Intussen zijn wij 2000 jaar verder, en kijk eens om u heen!
De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1 procent van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven, hebben wij meer zorgen over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed, dan over de vraag of die 99 procent die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen worden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij we ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen vuil wenst te maken.
De naakten worden niet gekleed. Zij worden uitgestoten.
En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen – ik spreek over mezelf – als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden in plaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha’s velden.
Geen plaats voor christelijke politiek?
De wereld hunkert naar christelijke politiek!
Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben; die handelt voor wie geen handen hebben; die een weg baant voor wie geen voeten hebben; die helpt wie geen helper hebben.
Kunnen wij dan wel iets doen? Staan wij dan niet machteloos tegenover al deze geweldige noden? Ik weet dat het vooral in het gezelschap van vele antirevolutionairen en christelijk-historischen niet zonder risico’s is de naam van Dorothee Sölle te noemen. Maar waarom zouden wij haar alleen onder het theologische ontleedmes leggen, en niet ook horen de klacht en aanklacht van een mens die niet los kan komen van Christus, maar steeds weer vastloopt op de christenen? In haar gedicht over het overwinnen van de machteloosheid springen als een bevrijding plotseling de woorden naar voren:“Bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld
dat genoeg was voor allen
Bij ons is al eens iemand opgestaan
uit de doden”Zo uniek, zo exclusief is het evangelie. En zó is het een richtsnoer voor het politieke handelen. Als dat niet herkenbaar is in een christen-democratische politiek, verdient het die naam niet.
Christelijke politiek wordt gekenmerkt door verantwoordelijkheid, dat wil zeggen dat je er weet van hebt verantwoording te moeten afleggen, antwoord te moeten geven. De eerste vraag, die aan een mens gesteld werd, luidde: “Adam, waar ben je?” Dat is de vraag die ons gehele leven begeleidt, ook in de politiek, bij iedere beslissing telkens weer: mens, waar ben je? Waar sta je in de problemen van de wereld? Aan welke kant sta je?
Die eerste vraag zal ook de laatste vraag zijn die ons zal worden gesteld en hij zal niet luiden: “Hoe goed heb je verdiend?” – dat is de vraag die ons hier in de politiek te veel bezighoudt – maar: “Hoe goed heb je gediend?” Het antwoord op de vraag die dan gesteld wordt, wordt hier gegeven.
Vanuit dat besef politiek te handelen, daarin wordt christelijke politiek herkenbaar. Daarin nemen wij elkaar niet de maat. Daar lichten wij elkaar niet op door. Daar spreken wij elkaar wel op aan. Daar roepen wij elkaar wel mee tot de orde. Daar binden wij elkaar wel aan – en dat moet dan helaas wel formeel worden vastgelegd.
Dat is ons richtsnoer. En wie het voorrecht te beurt valt – want dat is het – als vertegenwoordiger van deze richting op verantwoordelijke posten tot politiek handelen te worden geroepen, wordt voor dat politieke handelen geacht daarmee in te stemmen. Het Christen-Democratisch Appèl zal zó zijn, wil het werkelijk christen-democratisch zijn.
Niet lang hierna, in 1978, zou Aantjes aan de schandpaal worden genageld vanwege zijn vermeende oorlogsverleden. Hij werd door datzelfde CDA genadeloos afgebrand – de gelijkenis met degene die ooit die eerste Bergrede uitsprak, doet zich voelen.
Van politiek wist ik weinig, in de jaren zeventig, van antirevolutionairen, gereformeerden en christendemocraten wilde ik niet eens iets weten. Toch ben ik de figuur Aantjes niet vergeten, en toen ik me later, veel later, enigszins inlas in de materie besefte ik dat ik hem destijds niet enkel sympathiek vond maar ook medeleven voelde omdat hij zo gretig werd afgebrand. Ik vond hem, zonder dat toen te kunnen benoemen, integer.
Een integer politicus, dat zou weleens een oxymoron kunnen zijn. Misschien was hij gewoon een van die mensen die soms belanden in de slangenkuil van de politiek.
◊◊◊
Willem Aantjes, Speech op het eerste CDA-congres, 23 augustus 1975, beter bekend als ‘De Bergrede van Aantjes’. Online snel gevonden.
Dorothee Sölle is een lutherse theologe van Duits origine die (Aantjes suggereert het al) behoudender geloofsgenoten in de gordijnen joeg. De geciteerde regels komen uit het gedicht ’Argumenten voor het overwinnen van de machteloosheid’:
Wij hebben een lange adem
wij hebben een betere toekomst nodig
bij ons horen de mensen met pijn
de slachtoffers van deze wereldorde
bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld
dat voldoende was voor allen
Wij hebben een lange adem
wij bouwen een menselijke stad
onze bondgenoten zijn
de mensen zonder rechten in de inrichtingen
de vluchtelingen in de steden
bij ons horen de doden van de oorlogen in Gaza, in Oekraïne, Congo, Soedan, Yemen en Myanmar
die eindelijk gerechtigheid te eten willen hebben
bij ons is al eens iemand opgestaan
van de doden
Dorothee Sölle, De langste adem, gedichten over geduld en revolutie, 1975. Vert. R. van Hengel.
Prent: Dresden, 2019. Foto © Gertrudsdottir.