De sigaar

Waarschuwing: dit is een synopsis van de speelfilm Der Trafikant.

Oostenrijk, eind jaren 1930.

Dromerige jongeling wordt door zijn Mutti naar Wenen gestuurd omdat ze voor hem aan de Attersee geen toekomst ziet. Hij gaat in de leer bij een jeugdvriend van zijn moeder die in de hoofdstad een sigarenwinkel drijft. Levenslessen krijgt de knaap van niemand minder dan Sigmund Freud, die om de hoek woont en werkt, en dagelijks zijn krantje en een portie rookgenot komt scoren; lessen in de liefde van het eerste het beste wilde meisje waar hij, groen als gras, in zijn vrije tijd tegenaan loopt. Uiteraard breekt deze Boheemse en passant ook zijn hart, terwijl om hen heen de joden- en vreemdelingenhaat hand over hand toeneemt.

De sigarenwinkelier, een man van weinig woorden die er al een oorlog op heeft zitten, wat hem een van zijn benen heeft gekost, wijst nationaalsocialistische klanten de deur. Dat hij zijn joodse klanten gewoon blijft bedienen levert hem bekladding van zijn winkelpui, vernieling van zijn interieur en uiteindelijk een arrestatie op, waar hij niet van terugkeert.

De knaap bestiert de winkel in zijn eentje, probeert vergeefs de arrestant diens krukken achterna te brengen en verzwijgt op zijn wekelijkse prentbriefkaarten aan Mutti de ware stand van zaken.

Ten slotte mag zelfs de alom gerespecteerde oude Freud eigenlijk niet meer in Café Sperl komen en moet er verborgen achter een gordijn zijn Verlengerte drinken. De familie Freud evacueert naar Londen, de Boheemse hangt aan de geüniformeerde arm van een of andere hoge nazi en bij onze dromerige jongeling wordt een pakketje bezorgd met de kleding van de zogenaamd aan hartfalen overleden sigarenwinkelier.

Eindelijk vallen hem de schellen van de ogen, en gewapend met de broek van de verminkte winkelier neemt de jongen een soort van revanche op het onrecht dat zijn leermeester is aangedaan. 

Daarmee valt natuurlijk ook voor hem het doek, ook hij wordt afgevoerd, de Boheemse loopt nog even weemoedig langs de gesloten sigarenwinkel en thuis aan de Attersee voelt Mutti als er geen kaarten meer komen de bui al hangen. Einde film.

Tja. 

Dit is in kort bestek Der Trafikant, verfilming van een roman van Robert Seethaler. Het boek heb ik niet gelezen, maar bij de film – geheel in gedempte bruintonen gefilmd, alsof er in de late jaren 1930 nog geen echte kleuren waren – heb ik zo mijn bedenkingen. 

Het verhaal van de manwording van een onnozele jonge dromer te midden van toenemend nazigeweld is al wel vaker verteld – en beter. De rol van de oude Freud (die me telkens als hij in beeld hobbelde aan een miniatuur-Frans Timmermans deed denken) doet geen moment vanzelfsprekend aan – nergens wordt aannemelijk gemaakt waarom deze baanbrekende psychoanalyticus belangstelling zou hebben voor een doorsnee knaap als deze hoofdpersoon. De man komt over de hele linie zo vlak en ongeïnteresseerd over dat ik me zo voorstel dat zijn aanwezigheid in het verhaal enkel is bedoeld als lokkertje op de affiche.

En zo blijf ik zitten met het idee dat deze film de verkeerde mensen naar voren haalt: het zijn niet de jonge dromer, zijn sexy Boheemse of Sigmund Freud die interessant zijn. 

Interessant is Mutti, een alleenstaande moeder die zich na de freaky dood van haar Liebhaber en geldschieter het bronstige personeel van het hotel waar ze werkt van het lijf moet zien te houden.

En nog veel interessanter is haar ‘jeugdzonde’, de sigarenwinkelier. Hij laat doorschemeren dat hij er altijd spijt van heeft gehad dat hij haar uit het oog verloren heeft. Daar zit een verhaal dat niet verteld wordt, en ook over zijn verdere leven en zijn opvattingen had ik wel meer willen weten. Nu zit hij achter de onverkochte dozen met exquise sigaren te wachten tot zijn lot zich voltrekt – hij wéét dat hij uiteindelijk zelf de sigaar is.

Doodzonde dat daar in een film die nota bene zijn naam draagt niet meer mee is gedaan.

◊◊◊

Der Trafikant, 2018. Speelfilm, regie Nicolaus Leytner. De gelijknamige roman verscheen in 2012. De auteur schreef mee aan het scenario. In het Nederlands heet het boek De Weense sigarenboer, vert. L.v.Nes.

Prent: Wenen, 2018. Foto © Gertrudsdottir.
De Berggasse, waar Sigmund Freud zijn sofa had staan (die in de film wonderlijk genoeg een ‘couch’ heet). Min of meer in het ‘nostalgische’ palet van de film.