De kuise man

TV5 Monde trakteert mij op de donderdagavond weleens op een oude film noir gebaseerd op een verhaal van een buiten zijn eigen taalgebied onbekend gebleven schrijver. Starring de sinds zijn acteerdebuut in mijn geboortejaar in de rol van solitaire vechtersbaas gecaste Lino Ventura, de oud-worstelaar die op het witte doek, hetzij als boef, hetzij als inspecteur van politie, zijn tegenstanders vloert voordat ze weten wat er gebeurt.

Ventura is een fenomeen, en de films waarin hij optreedt zijn dat voor mij ook – niet per se vanwege de plot maar omdat ze mij een blik gunnen op een samenleving die allang is opgehouden te bestaan. In de straten van Parijs rijden Simca’s en Panhards, de mannen gaan de deur niet uit zonder de haardos gul van brillantine te voorzien, ze dragen pak, stropdas en als het even kan een hoed, iedereen paft er driftig op los en Ventura voegt daar een eigen touch aan toe door vier schepjes suiker in zijn koffie te doen. Heerlijke man. Films van toen duren hooguit 90 minuten – een hanteerbare lengte, zoiets als de 188 pagina’s van een standaard Simenon. Net als bij Maigret speelt het daadwerkelijke geweld zich buiten beeld af, van expliciet gecopuleer, al dan niet esthetisch uitgelicht, is evenmin sprake en zelfs romantische verwikkelingen zijn een zeldzaamheid. Ventura liet zich er in elk geval niet toe verleiden – als het draaiboek op een vrijpartij afstevende weigerde hij de scène te spelen. Zoenen doe ik alleen met mijn eigen vrouw, schijnt hij te hebben verklaard. Niet alleen op het witte doek een kuise man.

De Franse cinema van toen kent meer van die mannen. Zo zag ik in Touchez pas au grisbi hoe boef nr. 1, Jean Gabin, blunderende boef nr. 2 barmhartig bij hem thuis laat onderduiken om hem te beschermen tegen de wraakacties van boef nr. 3. In een voor een gangsterfilm ongebruikelijk huiselijke scène zien we pokerface Gabin en zijn zenuwachtige beschermeling, beiden gekleed in gloednieuwe, helemaal dichtgeknoopte herenpyjama’s en op sloffen, een sober souper verorberen van crackers en rode wijn. Hun stilzwijgen wordt alleen verbroken door wat beleefd geharrewar over wie waar slaapt, waarna boef nr. 1 de resten van de maaltijd opruimt en boef nr. 2 zijn bankbed opmaakt, onhandig rondscharrelend met gesteven lakens en kussensloop. Pas als zijn gast veilig onder de wol ligt dooft Gabin discreet de lamp. De minutenlang durende pyjamascène had mij zo afgeleid dat ik na afloop van de film alsnog moest opzoeken wat een grisbi was.

In een heel ander genre, dat van de psychologische film, speelt Jean-Paul Belmondo in Léon Morin, prêtre een onberispelijk kuise katholieke priester. Met Melville als regisseur is dat geen ‘nogal wiedes’-verhaal over een jonge kapelaan die zijn celibaatsbelofte serieus neemt, maar een subtiel gelaagd portret van een man van vlees en bloed die niet toelaat dat de verleiding vat op hem krijgt. Heel even is er de vederlichte associatie met de woorden van de Mensenzoon in Joh. 20, 17.

Tot besluit de film die de kuise man als cinematografisch verschijnsel onder mijn aandacht bracht: in Ma nuit chez Maud brengt een niet heel jonge jongeman een kuise nacht door ten huize van een gescheiden vrouw, Maud, die hem in de kleine uurtjes gastvrij tot haar bed toelaat. Zoals bij regisseur Erich Rohmer te doen gebruikelijk wordt er non-stop gepraat: over filosofie, over katholicisme, over jansenisme . . . De twee zien elkaar niet meer terug totdat een aantal jaren later blijkt dat de zich alleszins zedig gedragende jeugdige katholieke jongedame op wie onze niet heel jonge jongeman ten tijde van zijn nacht bij Maud een oogje had, en met wie hij in de slotscènes van de film een keurig gezinnetje vormt, degene is die ooit het huwelijk van Maud heeft opgeblazen. De niet heel jonge jongeman is kuis uit overtuiging en tegelijkertijd kuis tegen wil en dank, zonder dat daar woorden aan te pas moeten komen. Ik vraag me nog weleens af of zijn modelgezinnetje overeind is gebleven nadat hem de schellen van de kuise ogen zijn gevallen.

◊ ◊ ◊

Films met Lino Ventura zijn er heel veel. Ik zag o.a. Touchez pas au grisbi (1954) – Le fauve est laché (1959) – Dernier domicile connu (1970) – en met brillantinekop en schouders daar bovenuit: Garde à vue, een film van Claude Miller uit 1981.

Jean-Pierre Melville verfilmde in 1961 Léon Morin, prêtre. Zie ook mijn eerdere post, Lesjes in bescheidenheid.

Jean-Louis Trintignant speelt (als 39-jarige) de dubbelkuise jongeman in Ma nuit chez Maud van Erich Rohmer, 1969.

Prent: Stilleven naar Morandi, 2023. Foto © Gertrudsdottir.