
Wie Dostojevski geen groot schrijver vindt, heeft niet veel van het leven begrepen.
– Bas Heijne
Per ongeluk valt mijn blik op de lof die Heijne op de achterkant van Fjodor Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse de auteur toezwaait. Gekwalificeerde lof, omdat Heijne er een uitspraak over de menselijke soort aan verbindt. Dostojevski een groot schrijver vinden is gelijk aan het leven begrijpen, Dostojevski geen groot schrijver vinden is gelijk aan . . . Ik voel me al geïntimideerd voordat ik met lezen ben begonnen.
Maar lezen zal ik, want Aantekeningen staat op het programma van mijn boekenclub. Voor zover ik weet mijn eerste Dostojevski. Dunner dan de gemiddelde Simenon. Het boek telt 168 pagina’s en bestaat uit twee delen, het tweede is opgebouwd uit een drietal episodes.
Het eerste deel, ‘Het ondergrondse’, is een monoloog tegen alles, maar vooral tegen dingen doen, afgestoken door een veertiger die naar eigen zeggen al decennia lang helemaal niets doet. De paradox wordt niet geschuwd: wat hij in de ene alinea vertelt, ontkracht hij in de andere. Als hij zichzelf in de ene zin kwaadaardig noemt, beweert hij in een andere dat zijn kwaadaardigheid gespeeld is. De thema’s die hij aansnijdt bestrijken het hele spectrum van de menselijke conditie en monden uit in een stelling die van Michel Houellebecq had kunnen zijn, over lijden als enige oorzaak van bewustzijn.
In het tweede deel, ‘Naar aanleiding van natte sneeuw’, is het de verteller te doen om herinneringen, en wel specifiek die herinneringen die een mens niet eens aan zichzelf durft te bekennen, ‘en van dezulken hopen zich er bij ieder fatsoenlijk mens behoorlijk wat op. Het is zelfs zo dat, hoe fatsoenlijker een mens is, hoe meer van dat soort zaken hij heeft . . .’
De verteller, nog steeds die veertiger, hoopt nu een van de herinneringen die hem is komen kwellen van zich af te schrijven. Het is er een aan zichzelf als jongeman – die zijn medemensen verafschuwt en zichzelf haat: aan zijn persoonlijkheid lijkt sindsdien weinig veranderd – maar de manier van vertellen is toegankelijker dan de theoretische verhandelingen in deel I. Minder moeizaam lezen dus, over de hopeloze nesten waarin deze jonge versie van de verteller zich willens en wetens werkt.
Ongeveer halverwege de tweede nattesneeuwepisode gebeurt er echter iets vreemds, niet met de verteller maar met mij: ineens herken ik een tafereel, en wel met zoveel detail dat ik er niet omheen kan: dit heb ik al eerder gelezen. Een rare gewaarwording, want al die pagina’s monoloog, de andere episodes, zelfs de afloop van deze ene episode, het ligt allemaal bedolven onder de sneeuwdrab van mijn geheugen. Een Dostojevski-lezer die niet eens heeft onthouden dat ze de grote schrijver al gelezen had, dat Heijne het niet te horen krijgt!
En dan sluit de verteller af met een uitspraak die van Heijne had kunnen zijn:
Zonder boeken zouden mensen niet eens weten hoe ze moesten leven.
Waarop Dostojevski zijn punt heeft gemaakt en ik het boek neerleg. Op de achterkant zie ik Bas Heijne terug.
Dat Dostojevski een groot schrijver is, weet ik ook wel. Of deze lezer hem een groot schrijver vindt volgt daar niet vanzelf uit. De kloof tussen mij en de wereld van zijn personages, zijn setting, zijn tijd gaapt me op elke bladzijde tegemoet. Het lukt me niet die kloof te dichten. Ik ben literair geschoold, ik weet wat ik aan Aantekeningen goed moet vinden. Tot waardering komt het evenwel niet. Dostojevski lezen is hard werken, zelfs als het een dun boek is.
Wel zie ik bij de verteller van de Aantekeningen en zijn kijk op de wereld verwantschap met personages uit de romans dûrs van Georges Simenon. Ook dat zijn (merendeels) mannen die niet willen wat de wereld van ze lijkt te willen. Die al dan niet uit vrije wil weigeren mee te doen aan het spel dat hun omgeving klakkeloos speelt. En zonder me te laten intimideren door het feit dat ik deze grote schrijver niet volmondig groot vind, weet ik zeker dat de boeken van Sim mij het leven beter laten begrijpen.
◊◊◊
F. Dostojevski, Aantekeningen uit het ondergrondse. Zapliski iz podpol’ja, 1864. Vert. M. Weijers, 2006.
In 1864 was Dostojevski net zo oud als zijn verteller in deel I. Het boek is maar liefst vijf keer in het Nederlands vertaald en heeft het tot een eigen Wikipediapagina geschopt.
Over het lijden bij Houellebecq gaan de artikelen ‘Poëtica’ en ‘Post scriptum’.
Georges Simenon, Negerwijk. 1965. Vert. G. v. Wagensveld.
Gelezen terwijl ik nadacht over Dostojevski. Zeker niet het enige voorbeeld van een roman dûr waarin het thema ‘wat drijft de mens (lees: man)’ voortvarend en met gevoel wordt uitgewerkt. Meer Simenon hier.
Prent: Boem! 2024. Foto © Gertrudsdottir.