
Eer zal ik kakken in mijn hoed
dan dat ik zeg hoe ik thans lijden moet
Deze regels spoken al sinds mijn puberjaren door mijn hoofd. Dat ze niet loepzuiver uit het geheugen komen gerold ziet iedereen, maar ze zijn nog steeds een formidabel hart onder mijn riem als de wereld mij weer eens niet begrijpt.
Ter ere van dit bericht toch maar even op internet rondgekeken. En zie: het zijn half herinnerde regels uit een gedicht van Gerrit Komrij, bij leven dichter des vaderlands, gevreesd polemist en beroepsknorrepot. Het gaat zo:
DE ZWIJGZAAMHEID
Eer maakt men lakens wit met inkt,
Eer speelt men schaak met bezemstelen,
Eer vindt men nog een roos die stinkt,
Eer ruilt men stenen voor juwelen,Eer breekt men ijzer met zijn handen,
Eer zal men stijgen in valleien,
Eer legt men een garnaal aan banden,
eer leert men geiten kousen breien,Eer plant men bomen op de weg,
Eer zal men kakken in zijn hoed,
Dan dat ik u mijn ziel blootleg
En zeg wat ik thans lijden moet.
Toch gek dat ik van de laatste vier regels er maar twee heb onthouden, terwijl ik na al die jaren nog precies weet waar en wanneer ik het gedicht las: bij de stiefmoeder thuis, begin jaren zeventig, in een Avenue uit de wekelijkse leesmap. Van toepassing waren Komrij’s woorden toen alleszins.
◊◊◊
G. Komrij, ‘De zwijgzaamheid’. In Alle gedichten tot gisteren, 1994.
Prent: Duitsland, 1987. Foto © Gertrudsdottir.