Het witte wolkje

2009-2107 wolk PHOTO GUSTAVE PETIT

 

Boven zijn hoofd dreef een wolk die hem van de zon afschermde. Waar hij ging, daar ging ook de wolk. En het kwam bij niemand op dat dit een teken was.
– Tsjingiz Ajtmatov

 

De ‘hij’ in dit citaat is Dzjengis Khan (1162-1227), de middeleeuwse krijgsheer; de wolk boven zijn hoofd maakt deel uit van een legende uit Kirgizië, naverteld in De dag die langer duurde dan een eeuw, een roman van Tsjingiz Ajtmatov.

Ajtmatov maakt er een verhaal in een verhaal van: de legende is opgeschreven door een onderwijzer uit een gehucht in Kazachstan die beschuldigd is van opruiing van zijn mededorpelingen en in eenzame opsluiting zit. Hij is opgepakt door de KGB en zal de gevangenis niet levend verlaten. Behalve zijn eigen levensgeschiedenis tekent de gevangene ook een paar volksvertellingen op, in de hoop dat zijn verhalen ooit zijn kinderen zullen bereiken. Die hoop is tevergeefs, zijn papieren belanden bij de onderzoeksrechter die hem heeft laten oppakken.

Aanvankelijk wilde Ajtmatov de legende, door de onderwijzer ‘De terechtstelling in de Sary-Ozek’ gedoopt, alleen vermelden, later voegde hij toch het hele verhaal toe (maar niet in alle edities: de Engelse vertaling bijvoorbeeld moet het zonder stellen). De fictieve KGB-rechter onthoudt zich van commentaar, maar het is duidelijk dat de auteur zelf hiermee de confrontatie zocht.

 

2009-2076 wolk GUSTAVE PETIT

 

De setting van zowel het verhaal over de onderwijzer als de legende die hij optekent is de Sary-Ozek, een (fictief) verlaten, woestijnachtig gebied in Kazachstan. Halfnomaden hoeden er hun kamelen, er rijden treinen doorheen en de Sovjets zouden er een geheime, streng bewaakte lanceerbasis hebben.

Lang geleden, zo wil de legende, was deze onherbergzame steppe het toneel van de laatste grote opmars van Dzjengis Khan, de geduchte Mongoolse krijgsheer die met een enorme troepenmacht oprukte richting Wolga, en van daaruit richting het welvarende westen. Ongevraagd meldt zich bij de tent van de opperbevelhebber een waarzegger die bekendmaakt dat het de Allerhoogste in de hemelen heeft behaagd om Dzjengis Khan, de allerhoogste op aarde, een teken te geven van Zijn goedkeuring: waar hij ook gaat, Dzjengis Khan zal voortaan vergezeld worden door een wolk in het luchtruim boven hem. Maar, zo waarschuwt de waarzegger middels een van angst sidderende tolk,

 

. . . pas goed op die wolk, want als je haar verliest, verlies je je kracht.

 

Dat het misgaat, dat het de almachtige Dzjengis Khan niet zal lukken de Allerhoogste te blijven behagen, hangt dan al in de lucht, belichaamd door dat witte wolkje dat de heerser meer dan twee jaar vergezelt. Zelf ziet hij die dreiging niet. Pas wanneer Dzjengis Khan bevel geeft om een jong paar dat een van zijn geboden negeerde terecht te stellen, is het wolkje weg (en in tegenstelling tot de machtigste man op aarde weet de lezer waar het gebleven is). Nog lang tuurt de heerser de lege lucht af, tot het hem begint te dagen dat hij bij de Allerhoogste uit de gratie is. 

 

2009-2107 wolk weg PHOTO GUSTAVE PETIT

 

De dag die langer duurde dan een eeuw is een hele zit, het boek telt 525 pagina’s. Het lijken er zelfs meer, omdat het Nederlands niet vlot wegleest: er zijn plotselinge registerduikelingen, herhalingen die er de vaart uit halen, houterige dialogen die hetzelfde doen, bevreemdende zinnen waar je ogen spierpijn van krijgen. Sprankelen doet het zelden. Zou Ajtmatov zelf ook zo stroef schrijven? Dat zou een hoop verklaren, maar ik kan me het moeilijk voorstellen. Des te opmerkelijker dat de ingebedde legende zich niet door een stramme vertaling laat temmen.

◊◊◊

T. Ajtmatov, De dag die langer duurde dan een eeuw. Vert. M. Weijers, 1995. De legende staat op p. 257-317 van de eerste druk, de titel van de roman is een regel uit het gedicht ‘Unieke dagen’ van Boris Pasternak. Het Nederlands van de hier aangehaalde fragmenten is door mij aangepast.

Ajtmatov, roepnaam Tsjingiz, heet hetzelfde als de middeleeuwse machthebber die zijn wolkje kwijtraakt. 

Foto’s uit de wolkencollectie van Gustave Petit, 2009-2014.