De blauwsloot

Het dorp van mijn jeugd is genoemd naar een beek die op zijn beurt de naam van het dorp heeft gekregen. Gek genoeg is de Donge juist in Dongen zelf niet heel erg zichtbaar. Hij begint ergens op de zandgronden ver ten zuiden van Dongen, heeft daar soms ook even een andere naam, lift een stukje mee met het Wilhelminakanaal en duikt – al dan niet door toedoen van de planologen – weleens een poosje onder, of splitst zich op in smallere stroompjes die een tijdlang een eigen parcours aanhouden. Bevaarbaar wordt de beek pas na Dongen, en eenmaal ter hoogte van Geertruidenberg stroomt hij als een serieuze, brede waterweg de Amer in.

Niet alleen de wederzijdse naamgeving is een paradox. Mijn familie exploiteerde halverwege de vorige eeuw in Dongen een wasserij die fier de naam van het riviertje voerde, terwijl daar toch door de nabije Tilburgse textielindustrie en de lokale leerlooierijen volop giftig afvalwater in werd geloosd. In de volksmond heette de Donge dan ook de blauwsloot, naar de onwaarschijnlijke diepblauwe kleur die het water kreeg als er in Tilburgse ververijen indigo was gebruikt.

Maar de tijden veranderden. Aan de giflozingen kwam een eind, aan de meeste industrieën trouwens ook, inclusief – helaas – de wasserij. En aan de Donge is sindsdien veel geknutseld. Het stroomgebied werd heringericht en soms zelfs in de oude, pre-industriële staat teruggebracht. Flora en fauna kregen dat ook in de gaten, en nu zie je, fietsend langs oevers vol bloeiend fluitekruid, af en toe een glimp van het paradijs.

***

Schrijven over rivieren, ik ben er beroepshalve ook mee in aanraking gekomen.
In 2011 vertaalde ik To the River, een boek van de Britse auteur en journalist Olivia Laing die op haar wandeling van bron naar monding van de rivier de Sussex Ouse vertelt hoe de eeuwen hun sporen hebben nagelaten op de oevers van een ogenschijnlijk onaanzienlijk stroompje. Bijna tien jaar later fungeert de Londense rivier de Lea als rode draad in Esther Kinsky’s Am Fluß, waarvan ik de Nederlandse vertaling persklaar maakte.
Laings rivierkeus is niet willekeurig: de Ouse is de rivier die voor Virginia Woolf in 1941 een eindstation werd. De keus van Kinsky voor de Lea is minder naspeurbaar: de vertelster kwam, zo lijkt het, bij toeval in de buurt van deze rivier te wonen, en haar verhalen ontstaan terwijl zij er wandelt. Die schijnbaar doelloze rondwandelingen doen, in combinatie met de bevreemdende analoge foto’s die ze er maakt en in haar verhalen benoemt en bespreekt, aanvankelijk denken aan het werk van die andere Duitse auteur die zich net als zij al wandelend en fotograferend op Engelse bodem begaf: W.G. Sebald. Maar zelfs met deze overeenkomsten zijn Kinsky en Sebald als verhalenvertellers verschillend genoeg om naast elkaar te bestaan, ieder in een eigen universum van doordacht verwoorde, boven het persoonlijke uitstijgende (on)rust, beklemming en melancholie.

Olivia Laing, Naar de rivier. Een reis onder het oppervlak. Vert. L. van Campenhout, 2011.
Een eerdere post over dit boek vind je hier.

Esther Kinsky, Langs de rivier. Terreinroman. Vert. J. Rijnaarts, 2020.

Over W.G. Sebald schreef ik vaker. Onlangs verscheen in Das Zahngold een bericht van Reinjan Mulder over de foto’s in de Nederlandse uitgave van Sebalds Austerlitz.

Het kaartje van de Donge is een printscreen, gebaseerd op de weergave van het gebied in Google Maps. Afgebeeld is het stroomgebied benoorden Dongen tot onder Raamsdonk en knooppunt Hooipolder op de A27, waar de rivier scherp afbuigt naar het westen.

Het Delfts blauwe asbakje komt uit eigen collectie. Het is ongedateerd, maar de in onbruik geraakte (positie van de) „aanhalingen” en de buitengewone vormgeving van de letters N en W duiden op midden jaren zestig.