Ansichtloos

De LocHal heeft een kakelvers exemplaar van Georges Rodenbachs Het dode Brugge in de kast staan. Verschenen in 2020 in de vertaling van Jan H. Mysjkin. Met op het tomaatrode voorplat, meteen onder de naam van de vertaler, een plaatje van een besnord manspersoon; dat zal Mysjkin niet zijn maar de auteur. Best gek, het verhaal gaat toch niet over Rodenbach zelf?

Blijkt dat ook sommige edities van Bruges-la-Morte dezelfde gesoigneerde snorremans voorop hebben staan. Afijn.

Wat wel storend is: de foto’s waar Rodenbach in 1892 zijn Franstalige novelle mee vol stopte (35 stuks) zijn weggelaten. De auteur had daar – uiteraard – zijn redenen voor, en die noemt hij in zijn Woord vooraf:

Omdat de decors van Brugge deel uitmaken van de verwikkelingen is het belangrijk ze hier tussen de pagina’s in te lassen en te reproduceren.

Nou is het best mogelijk dat uitgever De Wilde Tomaat die decors ook belangrijk vindt, maar toch is men tot een ander besluit gekomen. In een voetnoot op dezelfde bladzijde wendt de uitgever zich tot de lezer om te melden dat het ‘niet mogelijk’ is gebleken om alle afbeeldingen over te nemen. In plaats van 35 foto’s van Brugge krijg ik dus slechts een reproductie te zien van een Franstalige cover of titelblad, met van de hand van Fernand Khnopff een tekening van de opgebaarde echtgenote in een waaier van haren, tegen een achtergrond van het Minnewater. Waarom overname niet mogelijk is gebleken vertelt de uitgever er niet bij. De noot verwijst onbevredigde nieuwsgierigen naar het nawoord van de vertaler.

Hop, meteen maar daarheen dan – en inderdaad, de vertaler brengt de fotokwestie in zijn eerste alinea al ter sprake. Eerst herhaalt hij nog maar eens de passage uit het Woord vooraf waar ik net vandaan kom, dan geeft hij daar zijn visie op: ‘In een tijd waarin reizen aan de hogere klasse was voorbehouden, kan men begrijpen dat Rodenbach de lezer door middel van foto’s een beeld van de genoemde “decors” wilde geven.’ Om dan plompverloren te concluderen:

Vandaag, in een tijd van massatoerisme en internet, lijkt me dat niet langer dwingend.

Waar de uitgever de foto’s niet kón overnemen, vindt de vertaler ze overbodig. Wie plaatjes van Brugge wil zien kijkt maar op Google.

Het is een besluit dat door deze lezer alleen maar betreurd kan worden.

En voor Rodenbach is het extra jammer: zijn Bruges-la-morte staat bekend als het eerste boek dat fictie en fotografie samenvoegt. Behalve in het Nederlands dan.

Fictie met foto’s: het is een genre waaraan ook auteurs als Esther Kinsky en W.G. Sebald hebben bijgedragen. Fotografie niet als facultatieve ‘illustratie’ van de tekst maar als integraal onderdeel ervan. De wisselwerking tussen tekst en foto, foto en tekst voedt de fictie op een manier die voor elke lezer anders zal zijn.

Dat die foto’s misschien geen hoogstandjes zijn, of saai of onscherp of voor mijn part grijzige ansichten van Brugge, is geen reden om ze dan maar gewoon te schrappen. Maar dat gebeurt wel, en niet alleen bij Rodenbach: ook bij Sebald zijn door zijn buitenlandse uitgevers ‘plaatjes’ achterwege gelaten (zie Naar de natuur en zijn Engelstalige evenknie, After Nature) of, zoals Reinjan Mulder in Das Zahngold betoogde, wel geplaatst maar niet op de goede plekken. En dat gebeurt stilzwijgend – zodat alleen de lezer die uitgaven in meerdere talen kent, de afwezigheid of misplaatstheid van de beelden opvalt.

Bij Rodenbach, die de aanwezigheid van beeld in de tekst (en het belang dat hij daaraan hecht) vooraf aankondigt, ontkomt de uitgever niet aan een soort van verklaring als hij dat beeld toch achterwege laat. De reproducties (ik ben op aanraden van de vertaler bij Google te rade gegaan: het zijn inderdaad niet direct spectaculaire ansichten van Brugge) moeten de lezer, aldus Rodenbach, ‘de tegenwoordigheid en de invloed van de Stad’ doen ondergaan, zij moeten ‘door de naburige wateren worden aangestoken en op hun beurt de schaduw van de hoge torens voelen die zich over de tekst uitstrekt’.

Ik weet niet of ik daar nog aan toe kom, aan dat ondergaan en aangestoken worden en voelen, als ik het lezen telkens moet onderbreken om er op internet de juiste ansicht bij te zoeken.

***

Georges Rodenbach, Het dode Brugge. Vert. Jan H. Mysjkin. 2020.
Bruges-la-morte verscheen in 1892 in boekvorm, nadat het eerder als feuilleton was verschenen. De novelle is meermaals verfilmd, twee films zijn te zien op resp. Vimeo en YouTube (daar heet hij Brugge, die stille). Voor wie het verhaal in het Frans wil horen, staat een online luisterversie klaar op Librivox.

Meer over Rodenbach op VERTIGO (Engelstalig). Thank you for your inspiring Rodenbach (and other) posts, Terry.

Prent: Cannes, 1984. Foto © Gertrudsdottir.