Brevier

En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart. En Ik zal van ulieden gevonden worden.
Jer. 19, 13

Ook voordat de recreërende medemens zich massaal per e-bike ging voortbewegen kon het druk zijn langs de Mark. Tussen de zuidrand van Breda en ‘bij de Paters’, het café bij het kapucijnenklooster net over de grens in Dreef, ligt 9 km fietspad dat met elke meander van het riviertje meebuigt. Er wordt niet alleen gefietst, maar ook in beide richtingen gewandeld, al dan niet met hond, geskeelerd en hardgelopen, wat situaties oplevert die niet altijd zonder gevaar zijn.

Ik fiets er liefst op incourante dagen en tijdstippen, bijvoorbeeld als iedereen aan tafel zit of als het miezert.

Maar ook dan zijn er mensen – mensen die groeten of strak voor zich uit kijken, die buiten adem zijn of relaxed voorbij zoeven in die merkwaardig statische houding waaraan ik de e-biker heb leren herkennen. Soms, heel soms, zie ik een bekende.

De bijzonderste ontmoeting die ik er had, alweer jaren geleden, was aan het begin van de ‘zondagavondspits’, als de Ollanders met bier in de benen weer Bredawaarts trappen. Manlief en ik wilden juist de andere kant op, naar Dreef, inwendig foeterend op al die jolig zwalkende tegenliggers die doodgemoedereerd naast elkaar bleven fietsen.

Ongeveer halverwege de rit kwam er een eenzame wandelaar in zicht die bij het bankje waar we waren gestopt bleef staan en samen met ons langs de drukte heen naar de rivier keek. We hoefden niet te vragen of hij van het klooster kwam, hij droeg geen habijt maar zijn kapucijnerschap straalde van hem af. Ja, zei hij na een poosje gezamenljk zwijgen, hij was pater, hij was aan het brevieren, en hij hief even het kleine gebedenboek op dat hij in zijn hand had.

Nu hij vanwege zijn hoge leeftijd in het klooster geen taken meer had, kon hij naar buiten, de wereld in, en brevierde hij zogezegd in het wild. Een paar keer in de week liep hij van het klooster in Dreef naar de Scheelebrug en terug – zo’n 10 kilometer, voor iemand van zijn leeftijd toch een aardig eind. Hij glimlachte toen ik dat zei. ’t Was niks, zei hij, onder het lopen sprak hij met God. En al wandelend ontmoette hij de wereld. De rust die van hem uitging was fenomenaal.

We namen afscheid, hij liep de laatste paar honderd meter naar zijn keerpunt bij de brug, wij reden door naar België. Op de terugweg kwamen we hem niet meer tegen. En ook naderhand heb ik hem niet meer teruggezien, maar zodra ik dat bankje zie denk ik even aan hem.

We hebben er nooit over gepraat, maar sinds kort weet ik welhaast zeker dat wij die middag Jezus hebben ontmoet, en dat manlief dat ook vond.

En zie, de Heere ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de rotsen, ging voor den Heere henen; doch de Heere was in den wind niet; en na deze wind een aardbeving; de Heere was ook in de aardbeving niet; en na de aardbeving een vuur; de Heere was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.
1 Kon. 19, 11-12

* * *

De Bijbelcitaten in deze post figureren prominent in Die große Stille (2005), een documentaire waarin Philip Gröning twee uur de tijd neemt om een zwijgend portret te maken van enkele soms nog heel jonge monniken die hun hele leven binnen de muren blijven van La Grande Chartreuze, het eeuwenoude kartuizerklooster in de bergen bij Grenoble, in alles dienstbaar aan God.

Prent 1: Haag (Oostenrijk), 2021. Foto © Gertrudsdottir.
Prent 2: Markdal, 2021. Foto © Gertrudsdottir.