Redding

2013-60-23 Montreux Lac Leman

Bijna altijd zijn de gedachten sneller dan de ogen en vervalsen het beeld.
– Marlen Haushofer

Marlen Haushofer schrijft op neutrale, zakelijke toon fictie over het fenomeen ‘hoop’. Als er in haar verhalen al eens een emotie te bespeuren valt is het wrevel – van de auteur die zich lijkt af te vragen hoe het mogelijk is dat haar personage tegen beter weten in meent te moeten hopen. Maar vaak hopen haar personages helemaal nergens op.

In de roman De Wand zit een vrouw van veertig in haar eentje in een jachthut in de bergen als ineens de bewoonde wereld onbereikbaar wordt. Er is (letterlijk!) een glazen wand tussen haar en die wereld geplaatst. Al het leven aan de andere kant van de wand is opgehouden, mensen en dieren zijn dood. Aan haar kant van de wand gaat het leven door, maar waarvoor? Hoe lang nog? Ze koestert geen illusies.

Met onze vrijheid is het heel droevig gesteld. Vermoedelijk heeft ze nooit anders dan op papier bestaan. Van uiterlijke vrijheid is waarschijnlijk nooit sprake geweest, maar ik heb ook nooit iemand ontmoet die innerlijk vrij was. En dat feit heb ik niet als beschamend ervaren. Ik zie niet in wat er oneervol aan is om net als alle dieren de jou opgelegde last te dragen en uiteindelijk net als alle dieren te sterven. Ik weet niet eens wat eer is. Geboren worden en sterven is niet eervol, het overkomt elk schepsel en verder betekent het niets.

De notities die ze maakt over het bestaan aan gene zijde van de wand zijn op een vreemde manier aangrijpend. Scrupuleus noteert ze haar bezigheden in en om de hut, haar verkenningstochten, de praktische problemen waar ze tegenaan loopt. Ze disciplineert haar pen om haar ‘zinloze gedachten’ te lijf te gaan.

Ik geloof niet dat in het wild levende volwassen dieren gelukkig zijn of zelfs maar blij. Het samenleven met mensen moet dat vermogen in honden hebben gewekt. Ik zou graag weten waarom wij als drugs op honden werken. Misschien heeft de mens zijn grootheidswaan wel aan de hond te danken. Zelfs ik verbeeldde me soms dat ik wel iets bijzonders moest hebben als Luchs bijna buiten zichzelf was van vreugde wanneer hij me zag. Natuurlijk heb ik nooit iets bijzonders gehad. Luchs was, zoals alle honden, eenvoudig verslaafd aan mensen.

Ruimte voor zelfbeklag staat ze zichzelf niet toe, sentiment wordt rigoureus geweerd en ze gunt zichzelf (en mij, de lezer) slechts mondjesmaat een blik in het verleden.

Het levert afgemeten proza op, met enkele heel bijzondere observaties van een vrouw die, vermoed ik, ook vóór die wand geen onstuimig gevoelsleven zal hebben gehad. Haar stoïcijnse houding is waarschijnlijk haar redding, want ja, blijkbaar is er in een situatie als de hare toch ook dáár sprake van, weliswaar op een heel andere manier dan je zou denken. Langzaamaan verliest ze haar menselijke individualiteit, dat zo vanzelfsprekende, grote goed uit haar vorige leven dat haar nu alleen maar in de weg zit, en beleeft ze zelfs iets van vreugde als ze beseft dat ze zonder de ballast van een eigen ego eindelijk ten diepste leeft.

Het was bijna onmogelijk om in de zoemende stilte van de wei onder de grote hemel een apart op zichzelf staand ik te blijven, een klein, blind, eigenzinnig leven dat zich niet in de grote gemeenschap wilde voegen. Eens was het mijn grote trots geweest dat ik zo’n leven was, maar op de alm kwam het me opeens heel armzalig en belachelijk voor, een opgeblazen niets.

Het verhaal is nog lang blijven nasudderen.

◊◊◊

Marlen Haushofer, Die Wand. 1968. De citaten komen uit De wand, vert. R. van Hengel, 2009.
Prent: Montreux, 2013. Foto © Gertrudsdottir.