De grijzen

Als ge in een heel jaar twee werkelijk goede foto’s maakt, die in elk opzicht af zijn, dan is er nóg winst, vergeleken bij het grote kwantum leeg en nietszeggend werk, waarmede wij in tijden van materiaal-overvloed en dikwijls al te gemakkelijk hanteerbare toestelletjes overstroomd werden.
– A.P.W. van Dalsum

Voor een amateurfotograaf die het afgelopen jaar nauwelijks een camera heeft aangeraakt zijn dit troostrijke woorden.

In mijn geboortejaar verscheen een herdruk van Landschapsfotografie, een boekje dat sinds kort in mijn bezit is dankzij de ruilboekenkast bij Albert Heijn, waar mijn buurtgenoten hun overtollige boeken dumpen (en waar ik al eerder een interessante vondst deed). Dit exemplaar, geruild met een overtollig boek uit eigen collectie, ziet er na 65 jaar in andermans kast ongelezen uit. Ontwapenend detail zijn de plakbandjes die het stofomslag netjes op zijn plaats hebben gehouden.

De auteur, A.P.W. van Dalsum dus, brak zijn lans voor de landschapsfotografie in de oorlogsjaren, toen hij voorzitter was van de Nederlandse Amateurfotografen Vereniging. Van D. houdt van ferme uitspraken (‘Een goede foto van een landschap ziet men zelden’, ‘…bedenk dan wel, dat een wolk geen klodder wit is’), en God wordt geregeld in dankbaarheid genoemd.

Wie schoonheid putten wil uit de overvloed, die de Schepper ons biedt, trekke de natuur, het landschap in met een liefdevol hart, een open oog en een kundige hand.

En niet te vergeten een camera. Nee, geen al te gemakkelijk hanteerbaar toestelletje, door Van D. ook wel ‘fotografisch mitrailleurtje’ genoemd; een ‘serieuze landschapswerker’ staat niet toe dat de camera foto’s maakt, dat doet hij zélf. Herhaaldelijk wijst Van D. erop dat daar niet alleen de foto maar ook de maker beter van wordt.

Zélf doen en góéd doen, en dan ook geen moeite schromen, dat geeft niet alleen de beste resultaten, maar ook de meeste bevrediging met het behaalde. En slechts dit kan ons innerlijk verrijken.

En dan de foto’s. Van landschappen, uiteraard, waar bij Van D. ook industriehavens, de vuilstort en stadsgezichten onder vallen. Allemaal in zwart-wit, of liever gezegd, in grijstinten. Daar moest mijn blik even aan wennen, maar die grijzen, zo zal Van D. op zowat elke bladzij keer op keer betogen, herbergen een toonbereik om euforisch van te worden.

Niet alleen het toonbereik is opmerkelijk, ook de onscherpte springt ongegeneerd in het oog. Dit zijn niet de enige onscherpe foto’s uit het boekje, maar Van D. zwijgt er in alle talen over. Dat is toch apart? Zelfs in de notities onder de voorbeeldfoto’s komt de onscherpte niet ter sprake, alsof het iets vanzelfsprekends is.

Die notities vertellen weer een ander verhaal. In plaats van ons daarin te informeren over waarom deze kadrering of dit standpunt houdt Van D. het vaag en dromerig, alsof hij een wandeldagboek bijhoudt. Soms wint zijn innerlijke dichter het van zijn fotografenziel:

Amsterdam, o schoonste der steden in het zilveren nevellicht van de herfst.

En omdat hij ook wel weet dat niet elke lezer van zijn boekje uit ‘goed, oud, mooi Mokum’ zal komen, besluit hij zijn galmende lofzang op de hoofdstad met:

Wordt maar niet jaloers, gij inwoners van de omstreken van Amsterdam tot aan de uitersten der Nederlandse grenzen. Er is maar één Amsterdam! Komt er maar eens naar kijken op zo’n zilveren herfstdag, en ge verliest uw hart ook aan deze schoonste stad, spoorslags!

Alsof we het aan zijn foto’s nog niet gemerkt hadden, legt Van D. omstandig uit dat hij geen mooiweerfotograaf is. Eenieder die goede landschapsfoto’s wil maken, moet dat ook niet willen zijn.

Zelf trekt hij er bij voorkeur op uit in het hazengrauwen (om een woord te memoreren dat me is bijgebleven uit de verhalen van Maarten ’t Hart, nog zo kwieke figuur die al voor dag en dauw uit de veren is), in mist of motregen, met 6×6 of platencamera met statief en zijn hele verzameling filters. Hij zweert bij lange sluitertijden en heeft een uitgesproken voorkeur voor plaatnegatieven omdat, volgens hem, elke opname vraagt om een individueel ontwikkelbad.

Geen rolfilm in een tankje voor deze meester, want wie met gemiddelden werkt, krijgt eenheidsworst.

O, en niet in de nabewerking maar in de camera ontstaat de prent: doordrukken en tegenhouden, retoucheren en bijsnijden; het is allemaal niet nodig als de fotograaf bij het maken van de foto weet wat hij doet.

En wat doe je tot je dat weet? Gewoon blijven proberen, desnoods jarenlang. Van D. constateert bemoedigend:

Van het falen is ook veel te leren.

Ik kan weer even vooruit.

◊◊◊

A.P.W. van Dalsum, Landschapsfotografie. 1954 (1943). Uitgeverij Focus.
De voorbeeldfoto’s zijn gekozen vanwege dat grijze toonbereik. Dat te digitaliseren was zo simpel nog niet. Mijn scanner houdt er een heel andere esthetica op na dan ik. Alles wat ik hem voer komt er contrastrijk en ‘verscherpt’ uit. Uiteindelijk kwam er enig gefotoshop aan te pas om de tonen weer in de buurt te krijgen van hoe Van Dalsums foto’s er in zijn boekje uitzien.

Maarten ’t Hart, De moeder van Ikabod. 2016.

Prenten: Furka/Hospental (CH), 2019. Foto’s © Gertrudsdottir. Twee foto’s van toen het afgelopen jaar nog maar net begonnen was. Om nou met Van D. te zeggen dat ze ‘in ieder opzicht af’ zijn, nee. Maar het zijn landschappen, analoge nog wel, en ik heb er veel van geleerd.