Onder de plak (2)

66-2011-41-10-berlijn

Hij was in staat om in zijn eentje het hele kantoor te ontruimen.
– James Joyce

Farrington, de voornaamloze hoofdpersoon in ‘Counterparts’ (‘Tegenhangers’), een kort verhaal van James Joyce, is alles wat James Turbers Walter Mitty niet is: de drankzuchtige Ier is agressief, gewelddadig en tot op het bot gefrustreerd. Toch hebben de Ierse bullebak en de Amerikaanse dromer misschien wel meer gemeen dan alleen een bazige vrouw. In een eerdere post schreef ik over Walter Mitty; hier kijk ik naar Farrington.

Plaats van handeling in ‘Counterparts’ is Dublin, dat begin twintigste eeuw nog bij het Verenigd Koninkrijk hoorde. Farrington, een beer van een vent, onderbreekt voor de vijfde keer die februaridag zijn werk (hij is kantoorklerk) om clandestien zijn dorst te lessen in de kroeg op de hoek. Weer terug op kantoor krijgt hij er voor de tweede keer die dag van langs van zijn chef, een hautaine Noord-Ierse man die geen geduld heeft met zijn lijntrekkende, ‘spijbelende’ en liegende employé. Als Farrington hem, nog wel in het bijzijn van ’s mans naar parfum geurende maîtresse, slagvaardig van repliek dient, is hij zijn baan zo goed als kwijt.

De middag sleept zich voort, en eindelijk kan Farrington naar buiten. Hij brengt op een holletje zijn horloge naar het pandjeshuis om drinkgeld te hebben. In de kroeg heeft hij aanvankelijk het hoogste woord: keer op keer vertelt hij zijn versie van het voorval op kantoor, met zichzelf in de rol van held. Maar later op de avond wordt zijn reputatie als geweldenaar om zeep geholpen als hij tot twee keer toe bij het armworstelen verliest van Weathers, een profiteur die met de Engelsen heult.

Dan is het geld op en gaat Farrington, niet eens dronken, op huis aan, vernederd, gefrustreerd, zinnend op wraak. Thuis is de kachel uit en het eten koud; zijn vrouw zit in de kerk. Een van zijn zoontjes komt uit bed om hem binnen te laten en hij geeft het kind een genadeloze aframmeling.

66-2015-3389-dusseldorf

Waar de beminnelijke Walter Mitty vlucht in het heldendom van de dagdroom om even van zijn bazige vrouw af te zijn, wordt in de loop van ‘Counterparts’ pijnlijk duidelijk dat Farringtons vlucht in de drank hem niet de gewenste verlichting zal brengen. In feite is Farringtons leven één grote, vergeefse strijd – tegen een opponent waartegen hij niet is opgewassen.

De mens, wil Joyce maar zeggen, is een product van tijd en plaats, en Farringtons tijd en plaats laten zich het beste omschrijven als ‘de Ierse conditie’.

Een driekoppig monster
Joyce noemde Dublin, waar ook zijn grote roman Ulysses speelt, ‘the centre of paralysis’ ofwel het centrum van de verlamming. In de bundel Dubliners is die verlamming het centrale thema. De verhalen staan in chronologische volgorde, in die zin dat de hoofdpersonen in de eerste verhalen kind zijn, daarna komen de jongvolwassenen, dan de volwassenen (o.a. Farrington), dan de ouderen en tot slot is er ‘The Dead’, het somberste verhaal van allemaal, dat ook het duidelijkst de visie van Joyce op Ierland weergeeft: het land dat hij ontvluchtte om er zijn verdere leven over te blijven schrijven.

De Ierse conditie is er, aldus Joyce, een van verlamming: de Ierse geschiedenis is er een van overmacht, vernedering en onderdrukking. Uitzichtloze armoede drijft de man naar de fles, de vrouw naar de rozenkrans. Farrington past naadloos in dat beeld: zijn leven wordt bepaald door staat, kerk en kroeg, het driekoppige monster dat, zo zegt Joyce, het katholieke deel van Ierland in een wurggreep heeft.

In ‘Counterparts’ werkt hij het contrast tussen het protestantse noorden en het (veel grotere) katholieke zuiden systematisch uit door van de personages Alleyne (Farringtons chef) en Farrington elkaars tegenhanger te maken.

contrasts farrington alleyne nederlands

Onderbelicht
Joyce geeft het woord aan een anonieme verteller, die Alleyne afschildert als de rücksichtsloze werkgever die het helemaal gehad heeft met Farrington en hem dat ook inpepert, maar deze ‘spreekbuis’ beziet de dingen niet neutraal. Hij voegt zich naar wat Farrington ervan vindt, dus blijven veel dingen ongezegd of onderbelicht : bijvoorbeeld het perspectief van de werkgever.

Het is aan de lezer om die lacunes in te vullen. Zelf ziet Farrington zijn slechte relatie met Alleyne – veroorzaakt door de fouten die hij maakt, het werk dat hij niet af krijgt, de brieven die hij zoek maakt, de leugens die hij vertelt en het gebrek aan boetvaardigheid dat hij toont – niet als iets waar hij invloed op kan uitoefenen. Zijn afkeer voor Alleyne is zo groot dat hij graag het ‘hoofdje’ van zijn chef had afgerukt en het hele kantoor kort en klein had geslagen. Maar voordat hij een daad kan stellen, wordt zijn kolkende agressie alweer omgezet in de dorst die al het andere wegvaagt.

De geketende mens
Kort voor het einde wordt zijdelings verteld dat Farrington, als hij niet dronken is, bij zijn vrouw onder de plak zit. Maar uit het verloop van zijn middag en avond is dan al gebleken dat het niet zijn vrouw is die hem het leven zuur maakt.

Om de kost te verdienen voor zijn grote gezin (er zijn vijf kinderen) zweet Farrington dag in, dag uit op klerkenwerk dat om een vaste hand, geduld en accuratesse vraagt – kwaliteiten die een man als hij niet heeft. Zijn drankinname zal de agressie die hem vanbinnen verteert nooit blussen; de kroeg en de kerk zullen hem niet helpen uit de problemen te komen.

En geheel onvermeld blijft het grootste obstakel van allemaal: Farringtons gebrek aan inzicht in zijn eigen destructieve houding, de hoge dunk die hij ondanks alles van zichzelf heeft, het abjecte zelfmedelijden. Farrington is een toonbeeld van de geketende mens. Dagdromen noch pints of porter zullen hem van zijn ketens verlossen.

En Walter Mitty?
Wat heeft een somber, negatief personage als Farrington dan gemeen met Walter Mitty, de innemende dagdromer die zijn lijden sublimeert door weg te vluchten in het heldendom van de Hollywoodfilm?

Tot mijn verbazing ontdekte ik dat Mitty’s schepper, James Thurber, niet bij zijn eigen gemoed te rade was gegaan toen hij zijn beminnelijke hoofdpersoon schiep. Eigenlijk stond de mens Thurber dichter bij Farrington dan bij zijn eigen creatie: de gevierde cartoonist had een drankprobleem en kon zeer kwaadaardig uit de hoek komen.

◊◊◊

James Joyce, ‘Counterparts’. In Dubliners, 1967 (1914). In het Nederlands: ‘Tegenhangers’, vert. R. Bloem, 1987.

Over de titel
Een counterpart is behalve een tegenhanger ook een afschrift of duplicaat. Daarmee verwijst de titel van het verhaal in het Engels dus ook naar het ‘monnikenwerk’ dat Farrington doet op kantoor, waar hij met de hand afschriften van documenten, contracten en brieven vervaardigt.

In de Nederlandse vertaling zijn wel meer details geofferd, helaas ook op strategische plekken. In het Engels komen twee van de drie componenten van de hierboven genoemde Ierse conditie, kerk en kroeg, samen in de term curate, dat in het Nederlands ‘ober’ is geworden en daarmee alleen op de horeca van toepassing is. Terwijl de curate in Ierland zowel pastoor als kroegbaas kan zijn: beiden zijn curer of souls. Het is veelzeggend dat juist in Ierland het woord deze dubbele lading heeft.

Lees de passage waarin Farrington onder werktijd de kroeg binnensluipt om zijn clandestiene glas donker bier naar binnen te klokken er maar eens op na, en proef de atmosfeer van het in het duisternis gehulde drankloket, dat wel wat lijkt op een morsige biechtstoel en waar een onverschillige ‘curate’ dolende schapen tegen betaling van troost voorziet.

Prent 1: Berlijn 2011. Foto © Gertrudsdottir.
Prent 2: Düsseldorf 2015. Foto © Gertrudsdottir.