
V – Waartoe zijn wij op aarde?
A – Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.
Uit de Schoolcatechismus
Mijn moeder was gelovig in een tijd dat gelovig zijn gewoon was. Dat ze haar kinderen liet dopen en in het rooms-katholieke geloof grootbracht was dan ook volkomen vanzelfsprekend. Ze vertelde ons kinderversies van de verhalen uit de Bijbel, ze draaide plaatjes als De hemel is van jou, we zegden aan tafel en voor het slapengaan onze gebedjes op, en op zondag gingen we naar de mis. Met kerst was er de kerststal, waar pas op Eerste Kerstdag plechtig het Kindeke in werd gelegd, en op Aswoensdag begon de Vasten met het halen van het askruisje. Daarna deden we zes lange weken alle snoepjes de we kregen in een trommeltje dat klokslag 12 uur op Paaszaterdag open mocht.
Onze formele godsdiensteducatie voltrok zich begin jaren zestig volledig onder schooltijd. De kapelaan of de pastoor zelf kwam ons in de klas de catechismus leren ter voorbereiding op de Eerste Heilige Communie en een paar jaar later, het Vormsel. Als er al kinderen uit een niet-katholiek nest in de klas zaten mochten die alvast huis. De enige andersgelovige in mijn klas was een jongen bij wie ze thuis Luthers waren. Zo werd hij door onze juf aan ons voorgesteld, maar uitleg over wat dat was, Luthers, kregen we niet. Ik heb zijn gewoonte om in kleermakerszit op zijn stoel te zitten nog jarenlang in verband gebracht met zijn geloof.
Op mijn elfde of twaalfde deed zich bij mij een openbaringsmoment voor. Het gebeurde tegen het einde van de heilige mis in onze parochiekerk, een noodgebouwtje. Ik herinner me de vloer van stoeptegels, de vettige banken, de viezige knielmatjes, het Latijnse geneuzel van mijnheer pastoor, die naast ons woonde. De geur van vele nuchtere magen op de zondagochtend. Ineens vervlogen al die concrete indrukken toen er als een lichtflits een gewaarwording was, een besef dat me in mijn diepste wezen trof: ik geloof. Het duurde maar even, maar dat even was van een kracht en een stelligheid die ik naderhand in geen enkele context meer heb ervaren.

Uiteindelijk, terwijl de kerk de veranderende tijdgeest probeerde bij te benen en bij mij de puberteit zich begon te roeren, is het de beatmis geweest die me de kerk uit joeg. Met het Latijn deed de Nederlandse katholieke kerk ook het mysterie de deur uit, en zonder dat mysterie bleef er bar weinig over wat mij boeide.
Mijn moeders intuïtieve devotionele opvoeding wierp haar eerste vruchten af toen ik Engels ging studeren. De grote westelijke literatuur is doordrongen van de christelijke cultuur en ze is, zo bleek in de werkgroepen en colleges van de UvA, eigenlijk niet te begrijpen voor studenten die geen weet hebben van Oud of Nieuw Testament en dus geen enkele Bijbelse verwijzing oppikken.
Vooral via John Dryden en Jonathan Swift, grote satireschrijvers die aan de universiteit resp. mijn afstudeeronderwerp en mijn promotie-voorstel werden, kwam ik – twintig jaar nadat ik was gestopt met naar de kerk gaan – werkelijk in contact met de Bijbel.
Er ging een schatkist open waarvan de bodem nog steeds niet in zicht is, niet alleen in de schone letteren maar ook in de andere schone kunsten: het religieuze werk van met name Rembrandt en William Blake geeft vorm, kleur en schoonheid aan de Bijbelverhalen die ze afbeelden. In de muziek zijn er de engelenkoren van Hildegard von Bingen, de polyfonie van Dufay en De Machaut, Vivaldi’s Stabat Mater en het gregoriaans. Op het gebied van de toegepaste kunst erfde ik een handboek over christelijke iconografie dat ik nog geregeld raadpleeg: kerkvaders, heiligen en hun attributen en symbolen die de verhalen uit de Bijbel al vele eeuwen begeleiden.
Via de kunsten leerde ik opnieuw over het oude geloof, en daarmee over het mysterie.
Maar weten is niet geloven, waardering is geen devotie. Het geloof zelf, zoals ik dat op dat ene moment ervoer, is niet teruggekomen.
Voor mij was het een logische stap om mijn eigen kinderen niet in het geloof op te voeden. Ik heb ze wel de verhalen verteld, elk jaar weer, over Pasen en Pinksteren, over de heilige Christoffel en over de vastentrommeltjes. Fenomeen van een tijdsgewricht: op hun katholieke (!) basisschool werd in de jaren negentig meer aandacht gegeven aan de islam en het hindoeïsme dan aan het christendom. Mijn ‘heidenen’ staan alweer jaren op eigen benen, leden van een generatie voor wie het christendom aan de zijlijn staat, in een samenleving waarin fundamentalisten, ook aan humanistische zijde, weinig geloof hechten aan verdraagzaamheid.
◊◊◊
Lea Smulders, De hemel is van jou en Kom maar schaapje. Grammofoonplaatjes, 45 toeren. Z.j. (rond 1960). Meer over de plaatjes en de achtergrondmuziek in ‘De paplepel’.
John Dryden, Religio Laici. 1682. Meer over dit project in ‘Lof der retorica’.
Jonathan Swift, bekend van Gulliver’s Travels, wilde de religie tot rede te brengen en de rede van religie te doordringen. Hij kan met recht een ‘priest of reason’ worden genoemd. Het plan was om dit aan te tonen aan de hand van een soort catalogue raisonnée van Swifts geschriften, en vervolgens daarop te promoveren. Het is bij een plan gebleven.
Hildegard von Bingen, benedictijnse non, abdis, mystica en componiste, kreeg ruim aandacht in het programma van Marijke Ferguson, Musica religiosa et profana. Zij (Marijke) was het die mijn muzikale opvoeding ter hand nam, elke zondagochtend een uurtje op de radio. Ik dank er een aantal kostbare cassettebandjes aan die wonderlijk genoeg alle CD-spelers hebben overleefd, met o.a. Vivaldi’s Stabat mater in de uitvoering van James Bowman en The Academy of Ancient Music. Ook van Guillaume de Machaut en zijn voornaamgenoot Dufay liet Marijke veel horen. De Machaut schreef in de 14e eeuw de Messe de la Nostre Dame, in de Ars Nova-stijl. De Vlaming Dufay bracht een eeuw later De Machauts Ars Nova een huldebetoon in zijn polyfone composities.
Bijbel: Statenvertaling met reproducties van Rembrandt. Z.j. (jaren zeventig).
Het werk van William Blake leerde ik kennen in het British Museum in Londen in 1982.
Br. Leopold, Oude en nieuwe iconographie, ten dienste van den scheppenden kunstenaar. Gent, 1937.
Lees het verhaal van de H. Christoffel hier.
Prent 1: Oostende (Petrus en Pauluskerk), 2018. Foto © Gertrudsdottir.
Prent 2: Ivrea, 2010. Foto © Gertrudsdottir.